Join our all-new Duome Forum to rediscover what was lost with Duolingo Forum closing and more...
Streak Hall of Fame
12

BenMiddag

Ben Middag

525104 XP#23032
330
1691+54#29973
9006#59174.

Learning English from Dutch

Level 25 · 525104 XP
495104 XP beyond level 25

Tree: Legendary
100% complete

Crowns: 330
You conquered all crowns

Skills: 55
You finished every skill

Lessons: 285
You finished every lesson

Lexemes: 1952
You have seen every word available

Strength: 99%
532000

Created: 2016-05-13
Last Goal: 2022-08-09
Daily Goal: 50 XP
Timezone: UTC+2

Last update: 2022-07-27 06:10:22 GMT+3


186159100

XP per Skill (4 weeks)raw

Basis 1
769XP
Basis 2
757XP
Alledaagse uitdrukkingen
739XP
Eten
632XP
Dieren
632XP
Meervoud
540XP
Bezittelijke Voornaamwoorden
498XP
Objectieve voornaamwoorden
326XP
Kleding
402XP
Werkwoorden: t.t.
224XP
Kleuren
272XP
Vragen
1183XP
Voegwoorden
1192XP
Voorzetsels
1045XP
Tijd
448XP
Familie
346XP
Beroepen
376XP
Bijvoegelijke Naamwoorden 1
263XP
Werkwoorden: t.t. 2
201XP
Bijwoorden
74XP
Plaatsen
 
Voorwerpen
 
Mensen
 
Reizen
 
Bepaalde lidwoorden
 
Cijfers
 
Werkwoorden: t.t. 3
43XP
Onderwijs
 
Werkwoorden: Verleden Tijd
 
Werkwoorden: Infinitief
 
Werkwoorden: Verleden tijd 2
 
Abstracte Voorwerpen 1
1029XP
Verbuiging bijv. nw.
946XP
Werkwoorden: v.t.t.
738XP
Werkwoorden: Infinitief 2
196XP
Betrekkelijke voornaamwoorden
117XP
Werkwoorden: Voltooid verleden tijd
64XP
Abstracte Voorwerpen 2
43XP
Wed. vnw.
47XP
Natuur
42XP
Werkwoorden: Gerundium
41XP
Sporten
42XP
Kunst
 
Communicatie
44XP
Medisch
84XP
Werkwoorden: Toekomende tijd
35XP
Politiek
68XP
Werkwoorden: Toekomstige tijd
79XP
Wetenschap
42XP
Werkwoorden: Voltooid Toek. Tijd
 
Zaken
42XP
Werkwoorden: Modaal
41XP
Gebeurtenissen
86XP
Werkwoorden: v.v.t.t.
88XP
Attributen
84XP

Skills by StrengthCrownsDateNameOriginal Order

  • 146312724913.05.2016 •••   6.186Basis 10 @ 100%1218/18
    I · a · am · an · and · apple · boy · bread · drink · drinks · eat · eats · girl · he · i · is · man · she · the · water · woman
    21 words
    Lidwoorden

    Het Engels heeft twee lidwoorden, the en a(n).

    A(n) is het onbepaald lidwoord, de Engelse versie van ‘een’. Om te bepalen of je a of an gebruikt, luister je naar de klank van de eerste letter van het volgende woord. Klinkt de eerste letter als een medeklinker, dan gebruik je a, en als je een klinker hoort, gebruik je an. Dat klinkt een beetje verwarrend, dus laten we naar een paar voorbeelden kijken:


    • a boy - een jongen



    • a house - een huis



    • a university - een universiteit



    • an apple - een appel



    • an hour - een uur



    Je ziet dat de eerste twee woorden met een medeklinker beginnen en als je ze uitspreekt – klik op het woord om naar de uitspraak te luisteren – klinkt de eerste klank ook als een medeklinker. Het derde woord university begint met een klinker, als je het uitspreekt, klinkt het echter alsof het met een ‘J’ begint. Daarom schrijf je toch a en niet an. Het vierde woord, apple, begint met een klinker, en zo klinkt het ook. Als je het laatste woord uitspreekt, klinkt het echter een beetje als ‘auwer’, wat met een klinker begint, dus daarom gebruik je hier ook an.

    The is de Engelse versie van ‘de’ en ‘het’. Iets makkelijker dan het Nederlands dus, want je hoeft niet te weten of een woord mannelijk/vrouwelijk of onzijdig is.


    Persoonlijke Voornaamwoorden Enkelvoud

    De Engelse persoonlijke voornaamwoorden in het enkelvoud zijn:

    Nederlands Engels
    Ik I
    Jij/U You
    Hij/Zij//Het He/She/It

    Het Engels maakt geen onderscheid tussen ‘u’ en ‘jij’.


    Werkwoordsvervoeging Enkelvoud

    De werkwoordsvervoeging van regelmatige werkwoorden is in het Engels gelukkig niet heel moeilijk. Als je de infinitief van het werkwoord kent, kom je al een heel eind. In het enkelvoud gebeurt er voor de eerste en tweede persoon helemaal niks, je gebruikt gewoon de infinitief – de vorm van het werkwoord die je in het woordenboek vindt. En voor de derde persoon enkelvoud voeg je gewoon een ’s’ aan de infinitief toe.

    Persoonlijk Voornaamwoord Vervoeging Voorbeeld
    I [infinitief] I drink - Ik drink
    You [infinitief] You drink - Jij drinkt
    He/She/It [infinitief]+s He/She/It drinks - Hij/Zij/Het drinkt

    Zijn

    Het werkwoord ‘zijn’ – to be in het Engels – is, net als in het Nederlands, onregelmatig. We beginnen hier met de enkelvoudsvormen:

    Persoonlijk Voornaamwoord to be Voorbeeld
    I am I am a boy - Ik ben een jongen
    You are You are a girl - Jij bent een meisje
    He/She/It is He/She/It is Dutch - Hij/Zij/Het is Nederlands

    Veel succes met je eerste les!

  • 146313231413.05.2016 •••   6.186Basis 20 @ 100%2118/18
    are · book · boys · child · children · girls · has · men · menu · milk · newspaper · read · reads · rice · sandwich · they · we · women · you
    19 words
    Persoonlijke Voornaamwoorden Meervoud

    De Engelse persoonlijke voornaamwoorden in het enkelvoud hebben we al in Basis 1 besproken. Hieronder vind je een schema met de enkelvouds- én de meervoudsvormen:

    Nederlands Engels
    Ik I
    Jij/U You
    Hij/Zij//Het He/She/It
    Wij We
    Jullie You
    Zij They

    Je ziet dat er in het Engels geen verschil bestaat tussen de tweede persoon enkelvoud en tweede persoon meervoud; je gebruikt in beide gevallen you.


    Werkwoordsvervoeging Meervoud

    In Basis 1 hebben we ook de werkwoordsvervoeging in het enkelvoud besproken. De enkelvoudsvormen waren gelukkig niet heel moeilijk. De meervoudsvormen zijn nog makkelijker Hieronder een overzicht van zowel de enkelvouds- als de meervoudsvormen:

    Persoonlijk Voornaamwoord Vervoeging Voorbeeld
    I [infinitief] I drink - Ik drink
    You [infinitief] You drink - Jij drinkt
    He/She/It [infinitief]+s He/She/It drinks - Hij/Zij/Het drinkt
    We [infinitief] We drink - Wij drinken
    You [infinitief] You drink - Jullie drinken
    They [infinitief] They drink - Zij drinken

    Je ziet dat je in het meervoud alleen de infinitief gebruikt; heel makkelijk dus. Daardoor bestaat er in het Engels helemaal geen verschil tussen ‘jij drinkt’ en ‘jullie drinken’. In beide gevallen is dit you drink – en dat geldt voor de meeste werkwoorden.

    In tegenstelling tot ‘zij’ in het Nederlands bijvoorbeeld. Hoewel we een vorm van ‘zij’ in het enkelvoud en het meervoud hebben, kun je altijd aan het werkwoord zien of het enkelvoud of meervoud is: ‘zij drinkt’ of ‘zij drinken’.

    Houd dus met you rekening als je van het Engels naar het Nederlands vertaalt. Dit is vooral belangrijk als het een meerkeuzevraag is, want Duo vraagt altijd naar alle goede antwoorden!


    Zijn

    In de vorige les hebben we al naar de enkelvoudsvormen van to be gekeken. Hieronder vind je zo nog een keer, samen met de meervoudsvormen; die gelukkig iets makkelijker zijn.

    Persoonlijk Voornaamwoord to be Voorbeeld
    I am I am a boy - Ik ben een jongen
    You are You are a girl - Jij bent een meisje
    He/She/It is He/She/It is sick - Hij/Zij/Het is ziek
    We are We are girls - Wij zijn meisjes
    You are You are boys - Jullie zijn jongens
    They are They are sick - Zij zijn ziek

    Zoals je ziet hebben we de vorm are al bij de tweede persoon enkelvoud gezien. In het meervoud is dat de enige vorm die we gebruiken.


    Hebben

    Het werkwoord ‘hebben’ – to have in het Engels – is, net als in het Nederlands, ook onregelmatig. Hieronder een overzicht van alle vormen:

    Persoonlijk Voornaamwoord to have Voorbeeld
    I have I have a menu - Ik heb een menu
    You have You have a sandwich - Jij hebt een boterham
    He/She/It has He/She/It has a newspaper - Hij/Zij/Het heeft een krant
    We have We have children - Wij hebben kinderen
    You have You have boys - Jullie hebben jongens
    They have They have girls - Zij hebben meisjes

    Meervoud

    We hebben in deze les al veel besproken, dus wat betreft het meervoud houden we het hier kort. We gaan er in een latere les verder op in. In het algemeen vorm je het meervoud door een 's' achter het woord te plakken, bijvoorbeeld girl - girls. Er bestaan echter ook enkele uitzonderingen, zoals child - children.

    Veel succes met Basis 2!

  • 146314194613.05.2016 •••   6.186Alledaagse uitdrukkingen0 @ 100%2318/18
    bye · english · fine · goodbye · hello · morning · night · no · not · please · sorry · speaks · thanks · yes · you
    15 words
    Begroetingen

    Net als in het Nederlands, zijn er in het Engels natuurlijk heel veel verschillende manieren om iemand te begroeten. We zullen er hier een aantal bespreken. De meest eenvoudige begroeting is waarschijnlijk de Engelse versie van 'hallo': Hello.

    Net als het Nederlands, heeft het Engels ook een versie van 'goed + dagdeel'. In het Nederlands zeg je 'goedemorgen', in het Engels zeg je good morning. Het enige verschil is eigenlijk dat je de woorden niet aan elkaar schrijft.

    Dagdeel Begroeting
    Morgen = Morning Good morning
    Middag = Afternoon Good afternoon
    Avond = Evening Good evening
    Nacht = Night Good night

    Succes met de derde les!

  • 1691586458 •••   6.246Eten0 @ 100%3124/24
    breakfast · chicken · coffee · egg · fish · lunch · orange · plate · sugar · wine
    10 words
  • 146321000114.05.2016 •••   6.126Dieren0 @ 100%3312/12
    animal · bird · cat · crab · dog · duck · elephant · horse · spider · turtle
    10 words
  • 146321046014.05.2016 •••   6.126Meervoud0 @ 100%4212/12
    animals · apples · books · cats · dogs · ducks · elephants · horses · newspapers · turtles
    10 words
  • 146342624616.05.2016 •••   6.126Bezittelijke Voornaamwoorden0 @ 100%5112/12
    ' · 's · her · his · its · mine · my · our · ours · their · your · yours
    12 words
    Bezittelijk Voornaamwoord

    Het Engels heeft de volgende bezittelijke voornaamwoorden:

    Nederlands Engels
    mijn my
    je/jouw/uw your
    zijn/haar his/her/its
    ons/onze our
    jullie your
    hun their

    Je ziet dat de tweede persoon enkelvoud en meervoud weer dezelfde vorm hebben in het Engels. Let dus op bij oefeningen waar je alle goede antwoorden moet selecteren!


    Zelfstandig Bezittelijk Voornaamwoord

    Het Engels heeft, net als het Nederlands, ook zelfstandige bezittelijke voornaamwoorden:

    Nederlands Engels
    de/het mijne mine
    de/het jouwe/uwe yours
    de/het zijne/hare his/hers/its*
    de/het onze ours
    - yours*
    de/het hunne theirs

    * Let op! In tegenstelling tot het Nederlands heeft het Engels wel een zelfstandig bezittelijk voornaamwoord voor de derde persoon enkelvoud onzijdig en de tweede persoon meervoud. Als je die vormen vertaalt, gebruik je dus de van-constructie: Is that coat yours? – Is die jas van jullie?

    Veel plezier met deze les!

  • 146342744816.05.2016 •••   6.066Objectieve voornaamwoorden0 @ 100%536/6
    her · him · it · me · them · us · you
    7 words
    Persoonlijke Voornaamwoorden

    In Basis 1 en Basis 2 hebben we de persoonlijke voornaamwoorden ook al besproken, maar in die les hebben we alleen naar de subjectvormen gekeken. Een persoonlijk voornaamwoord kan ook als object gebruikt worden:

    • Subject: Hij kust de kat.
    • Object: De kat kust hem

    Zoals je ziet staat het object in de zin niet alleen op een andere plek, maar de vorm verandert ook. Net als in het Engels:

    • Subject: He kisses the cat.
    • Object: The cat kisses him.
    Nederlands Engels
    mij me
    je/jou/u you
    hem/haar/het him/her/it
    ons us
    jullie you
    hun/hen/ze them

    Ook hier zijn de tweede persoon enkelvoud en meervoud weer hetzelfde. Sterker nog, ze zijn precies hetzelfde als de subjectvormen. Pas dus goed op als je van het Engels naar het Nederlands vertaalt!

    Veel succes!

  • 146349787317.05.2016 •••   6.126Kleding0 @ 100%6212/12
    clothes · coats · dresses · pants · shirts · shoes · skirt · suits · wear · wears
    10 words
  • 146355802118.05.2016 •••   6.426Werkwoorden: t.t.0 @ 100%7142/42
    cook · cooks · design · find · go · goes · hear · hears · know · like · likes · listen · listens · loves · make · pays · play · plays · rains · run · runs · says · see · sees · sleeps · support · swim · swims · take · tell · use · walk · walks · want · wants · work · write · writes
    38 words

    In Basis 1 en Basis 2 hebben we al eerder naar de werkwoordsvervoeging van de present tense gekeken. Omdat we in deze les veel nieuwe werkwoorden zullen zien, herhalen we nog eens de Engelse (regelmatige) werkwoordsvervoeging:

    Persoonlijk Voornaamwoord Vervoeging Voorbeeld
    I [infinitief] I drink - Ik drink
    You [infinitief] You drink - Jij drinkt
    He/She/It [infinitief]+s He/She/It drinks - Hij/Zij/Het drinkt
    We [infinitief] We drink - Wij drinken
    You [infinitief] You drink - Jullie drinken
    They [infinitief] They drink - Zij drinken

    We hebben al eerder besproken dat de infinitief die vorm van het werkwoord is die je in een woordenboek vindt. En dat je in de tegenwoordige tijd eigenlijk bijna altijd de infinitief gebruikt; behalve in de derde persoon enkelvoud, dan plaats je er een -s achter.

    Er worden twee werkwoorden in deze les gebruikt, die niet helemaal regelmatig zijn: to go en to touch. Bij to go zul je zien dat de derde persoon enkelvoud niet alleen een 's' krijgt, maar ook nog een 'e'; je zet er dus -es achter: Hij gaat – He goes. To touch krijgt ook -es, maar die vorm wordt in deze les niet gebruikt: Hij raakt de kat aan – He touches the cat.

    Succes met de present tense!

  • 146367214019.05.2016 •••   6.126Kleuren0 @ 100%7312/12
    black · blue · brown · colorful · colors · gray · green · orange · pink · purple · red · white · yellow
    13 words
  • 146399959023.05.2016 •••   6.126Vragen0 @ 100%8112/12
    answer · do · does · have · how · question · what · what · when · where · which · which · who · whose · whose · why
    16 words
    Vragen

    Het Engels heeft net als het Nederlands ook vraagwoorden. En deze les draait vooral om de verschillende vraagwoorden en hoe je deze kunt gebruiken. Het gebruik van de vraagwoorden verschilt eigenlijk nauwelijks van het Nederlands. Hoewel je bijvoorbeeld wel zult zien dat de letterlijk vertaling van whose, ‘wiens’ of ‘wier’ is. Woorden die wij in het Nederlands niet (meer) zo vaak gebruiken. Whose cat is that vertalen de meeste mensen niet als ‘Wier kat is dat?’; dat klinkt nogal deftig. Het is veel gewoonlijker om het als ‘Van wie is die kat?’ te vertalen. Maar afgezien daarvan, zijn de Engelse vraagwoorden heel vergelijkbaar met de Nederlandse.

    In het Nederlands maak je een vraag meestal door het onderwerp en de persoonsvorm in de zin om te draaien. ‘Jij bent een man’ – ‘Ben jij een man?’. Dit omdraaien heet ook wel inversie, inversion in het Engels. En inversie wordt in het Engels ook toegepast: You are a manAre you a man?

    Maar je moet in het Engels ook vaak gebruik maken van het werkwoord to do om een vraag te maken. Je zult dit ook in deze les zien. In het Nederlands zeg je: ‘Jij hebt brood’ – ‘Heb jij brood?’. In het Engels gebruik je hier ‘to do’: You have bread – Do you have bread?.

    Dus wanneer gebruik je nou gewoon inversie en wanneer gebruik je nou to do? Dat is gelukkig makkelijk uit te leggen. Als de persoonsvorm een hulpwerkwoord (auxiliary verb) of een vorm van to be is, dan gebruik je gewoon inversie. In alle andere gevallen – als de persoonsvorm dus een hoofdwerkwoord (lexical verb) is – gebruik je to do.

    • De persoonsvorm can is een hulpwerkwoord: You can walkCan you walk? – Je kunt lopen – Kun je lopen?

    • De persoonsvorm is is een vorm van to be: He is sickIs he sick? – Hij is ziek – Is hij ziek?

    • De persoonsvorm is een hoofdwerkwoord: He walksDoes he walk? – Hij loopt – Loopt hij?


    Je kunt in het Nederlands ook een vraagwoord in deze constructies gebruiken, bijvoorbeeld: ‘Heb jij brood?’ – ‘Welk brood heb jij?’. Dit gebeurt in het Engels ook: Do you have bread?What bread do you have? En dit zijn de soort zinnen die je vooral in deze les zult zien. Probeer de bovenstaande regels echter ook te leren en kijk of je in de komende lessen al wat vraagzinnen kunt herkennen.

    Veel succes!

  • 146424640326.05.2016 •••   6.066Voegwoorden0 @ 100%836/6
    because · but · if · or · that · when · whenever · while
    8 words
  • 146450263729.05.2016 •••   6.246Voorzetsels0 @ 100%9224/24
    about · after · against · among · as · at · behind · between · by · during · except · for · from · in · like · near · of · off · on · out · over · to · towards · under · with · without
    26 words
  • 146555395210.06.2016 •••   6.486Tijd0 @ 100%10148/48
    afternoons · calendars · monday · morning · night · time · today · tomorrow · tonight · tuesdays
    10 words
  • 146643619520.06.2016 •••   6.186Familie0 @ 100%10318/18
    brother · daughter · fathers · husband · mother · parent · sibling · sister · sons · wives
    10 words
  • 146773538105.07.2016 •••   6.246Beroepen0 @ 100%11224/24
    author · careers · director · doctor · jobs · models · police · staff · student · works
    10 words
  • 146822611811.07.2016 •••   6.546Bijvoegelijke Naamwoorden 10 @ 100%12154/54
    afraid · alive · available · beautiful · bilingual · clean · convenient · cultural · different · dirty · efficient · excellent · expensive · familiar · famous · final · frequent · future · general · historical · human · important · impossible · independent · interesting · left · legal · little · living · local · main · military · minimum · modern · necessary · negative · next · normal · official · open · opposite · own · perfect · personal · popular · positive · possible · private · professional · real · recent · religious · responsible · sad · same · serious · special · tired · traditional · whole · wooden · wrong
    62 words
  • 1691586458 •••   6.426Werkwoorden: t.t. 20 @ 100%12342/42
    call · change · come · live · look · open · return · save · sign · think
    10 words
  • 147016562902.08.2016 •••   6.486Bijwoorden0 @ 100%13248/48
    again · almost · already · also · always · anywhere · approximately · as · away · clearly · completely · currently · definitely · easily · else · enough · especially · even · ever · exactly · far · finally · generally · here · however · just · late · later · least · more · much · necessarily · neither · never · nor · normally · now · once · only · perfectly · possibly · pretty · really · slowly · so · sometimes · soon · still · then · there · together · too · twice · usually · very · well · yet
    57 words
  • 147720727523.10.2016 •••   6.546Plaatsen0 @ 100%14154/54
    airport · bathrooms · beaches · city · hotel · house · kitchens · restaurants · street · yard
    10 words
  • 148274157526.12.2016 •••   6.606Voorwerpen0 @ 100%14360/60
    beds · bottle · bowls · chair · computers · magazines · scissors · spoons · tables · televisions · through · tv · window
    13 words
  • 149344960129.04.2017 •••   6.186Mensen0 @ 100%15218/18
    babies · boyfriends · committees · conference · enemy · friend · girlfriends · human · persons · public
    10 words
  • 149554649823.05.2017 •••   6.426Reizen0 @ 100%16142/42
    airplanes · bicycle · boats · buses · car · motorcycles · suitcases · train · travel · travels
    10 words
  • 149554766423.05.2017 •••   6.246Bepaalde lidwoorden0 @ 100%16224/24
    all · all · another · any · anybody · anything · both · each · every · everybody · everyone · everything · few · no · nobody · none · nothing · one · other · someone · something · such · that · that · these · these · this · this · those · those
    30 words
  • 149923858305.07.2017 •••   6.426Cijfers0 @ 100%16342/42
    amount · average · eight · eighteen · eighty · eleven · enough · fifteen · fifty · first · five · forty · four · fourteen · fourth · half · hundred · last · less · majority · many · meter · million · more · much · nine · nineteen · ninety · one · pair · per · seven · seventeen · seventy · six · sixteen · sixty · some · sum · ten · third · thirteen · thirty · thousands · three · total · twelve · twenty · two
    49 words
  • 146911225921.07.2016 •••   6.606Werkwoorden: t.t. 30 @ 100%17160/60
    adds · agree · allows · announce · appear · appears · arrive · asks · assumes · begins · believes · calls · contains · continues · count · counts · creates · cuts · deliver · delivers · demands · dry · explains · feels · fill · finds · fits · fly · follows · gets · gives · helps · import · introduce · knows · leaves · lives · looks · mix · opens · presents · produces · put · puts · receives · reserve · reserves · respect · serves · sets · signs · sing · spend · supports · talks · tells · thinks · tries · uses · visits · watches · wins · wishes
    63 words
  • 152308640107.04.2018 •••   6.306Onderwijs0 @ 100%17330/30
    course · education · library · meaning · notes · pens · programs · schools · sections · studies · teacher · teaching · training
    13 words
  • 152897714714.06.2018 •••   6.606Werkwoorden: Verleden Tijd0 @ 100%18160/60
    answered · appeared · ate · born · called · came · cooked · decided · died · drank · entered · explained · fell · felt · finished · found · gave · had · happened · heard · informed · introduced · kept · knew · left · liked · listened · looked · lost · loved · made · opened · performed · played · rained · reached · recently · returned · said · saw · seemed · showed · spoke · started · stayed · stopped · supported · talked · thought · told · took · touched · tried · turned · used · walked · wanted · was · watched · went · were · won · wrote · yesterday
    64 words
  • 153219390121.07.2018 •••   6.546Werkwoorden: Infinitief0 @ 100%18354/54
    add · be · buy · call · change · close · come · cook · create · do · does · enter · get · give · have · help · keep · learn · let · look · love · need · pay · place · rain · rent · say · see · sell · set · show · sleep · speak · start · study · swim · think · touch · try · visit · walk · write
    42 words
  • 154296622323.11.2018 •••   6.306Werkwoorden: Verleden tijd 20 @ 100%19230/30
    did · drink · eat · go · hear · like · make · say · see · tell
    10 words
  • 154860637927.01.2019 •••   6.606Abstracte Voorwerpen 10 @ 100%20160/60
    groups · list · loves · order · parts · review · service · systems · views · ways
    10 words
  • 155585643921.04.2019 •••   6.426Verbuiging bijv. nw.0 @ 100%20342/42
    able · alone · bad · best · better · big · bigger · cheaper · cleaner · clear · cold · deep · fair · fast · free · full · good · great · happy · hard · hot · large · less · long · new · nice · old · older · poor · prettier · pretty · pure · ready · rich · sharp · short · simple · small · smaller · strong · sure · sweet · tall · than · true · weak · worse · worst · young · younger
    50 words
  • 155611557624.04.2019 •••   6.546Werkwoorden: v.t.t.0 @ 100%21254/54
    ago · been · before · cooked · has · have · played · previous · previously · rained · read · since · walked · wanted
    14 words
  • 155687324203.05.2019 •••   6.546Werkwoorden: Infinitief 20 @ 100%22154/54
    accept · achieve · affect · allow · analyze · answer · appear · apply · assume · avoid · beat · begin · belong · build · choose · continue · count · cover · cut · define · develop · die · exist · explain · feel · finish · fit · forget · hate · how · improve · increase · leave · lets · lose · meet · miss · prepare · prevent · produce · reach · recover · remember · repeat · respond · serve · shut · stay · suffer · talk · though · understand · wait · wake · win
    55 words
  • 160382117127.10.2020 •••   6.066Betrekkelijke voornaamwoorden0 @ 100%2236/6
    what · where · which · who · whom · whose
    6 words
  • 160382520027.10.2020 •••   6.246Werkwoorden: Voltooid verleden tijd0 @ 100%23224/24
    called · come · eaten · found · given · had · heard · taken · walked · written
    10 words
  • 160397460729.10.2020 •••   6.606Abstracte Voorwerpen 20 @ 100%24160/60
    attention · benefits · competitions · efforts · interests · life · religions · respect · situation · title
    10 words
  • 161216871501.02.2021 •••   6.066Wed. vnw.0 @ 100%2426/6
    herself · himself · itself · myself · ourselves · themselves · yourself · yourselves
    8 words
  • 161220303801.02.2021 •••   6.366Natuur0 @ 100%24336/36
    flower · grasses · moon · rains · seas · skies · suns · tree · volcano · worlds
    10 words
  • 161226407902.02.2021 •••   6.426Werkwoorden: Gerundium0 @ 100%25142/42
    calling · coming · cooking · doing · drinking · eating · following · getting · giving · going · happening · having · including · leaving · looking · making · paying · playing · raining · reading · running · saying · seeing · sitting · sleeping · speaking · starting · studying · swimming · taking · talking · thinking · touching · trying · waiting · walking · watching · wearing · working · writing
    40 words
  • 161254646205.02.2021 •••   6.246Sporten0 @ 100%25324/24
    ball · exercise · exercises · games · goals · jump · jumps · kick · paths · player · points · scored · sport · step · team · walk
    16 words
  • 161460552301.03.2021 •••   6.246Kunst0 @ 100%26124/24
    arts · cameras · films · flute · movie · musical · musics · opening · painting · photo · picture · style · violins
    13 words
  • 161520262708.03.2021 •••   6.186Communicatie0 @ 100%26318/18
    channels · comment · communication · information · network · news · press · searches · stories · texts
    10 words
  • 161555757212.03.2021 •••   6.426Medisch0 @ 100%27142/42
    bodies · cares · emergencies · eye · hands · heads · health · helps · ill · sick · treatment
    11 words
  • 161601734818.03.2021 •••   6.606Werkwoorden: Toekomende tijd25 @ 75%27260/60
    add · be · break · call · change · choose · come · continue · cook · will
    10 words
  • 161650897623.03.2021 •••   6.426Politiek0 @ 100%27342/42
    court · governments · law · national · president · safety · securities · societies · tax · war
    10 words
  • 161695927528.03.2021 •••   6.546Werkwoorden: Toekomstige tijd25 @ 75%28154/54
    achieve · add · allow · apply · arrive · ask · assume · be · believe · going
    10 words
  • 161823186912.04.2021 •••   6.426Wetenschap0 @ 100%28342/42
    alcohol · analyses · article · decrease · details · discover · electric · energies · line · project · research · sciences · sizes · technologies
    14 words
  • 161953776727.04.2021 •••   6.126Werkwoorden: Voltooid Toek. Tijd0 @ 100%29212/12
    called · created · decided · died · found · have · received · sent · taken · will
    10 words
  • 162074408311.05.2021 •••   6.306Zaken0 @ 100%30130/30
    advertising · board · businesses · card · costs · credit · dollar · global · industries · insurances · moneys · products · sales
    13 words
  • 162157995021.05.2021 •••   6.066Werkwoorden: Modaal0 @ 100%3036/6
    can · cannot · could · may · must · should · would
    7 words
  • 162232431130.05.2021 •••   6.126Gebeurtenissen0 @ 100%31112/12
    action · attacks · battle · death · delivery · discussion · noises · starts · stops · traffic
    10 words
  • 162601465911.07.2021 •••   6.126Werkwoorden: v.v.t.t.0 @ 100%31212/12
    been · changed · considered · discovered · had · have · managed · opened · would · written
    10 words
  • 162608399812.07.2021 •••   6.126Attributen0 @ 100%31312/12
    beauty · difference · expression · forces · identity · importances · looks · luck · powers · quality
    10 words
0.018

Basis 1 updated 2018-10-25 ^

Lidwoorden

Het Engels heeft twee lidwoorden, the en a(n).

A(n) is het onbepaald lidwoord, de Engelse versie van ‘een’. Om te bepalen of je a of an gebruikt, luister je naar de klank van de eerste letter van het volgende woord. Klinkt de eerste letter als een medeklinker, dan gebruik je a, en als je een klinker hoort, gebruik je an. Dat klinkt een beetje verwarrend, dus laten we naar een paar voorbeelden kijken:


  • a boy - een jongen



  • a house - een huis



  • a university - een universiteit



  • an apple - een appel



  • an hour - een uur



Je ziet dat de eerste twee woorden met een medeklinker beginnen en als je ze uitspreekt – klik op het woord om naar de uitspraak te luisteren – klinkt de eerste klank ook als een medeklinker. Het derde woord university begint met een klinker, als je het uitspreekt, klinkt het echter alsof het met een ‘J’ begint. Daarom schrijf je toch a en niet an. Het vierde woord, apple, begint met een klinker, en zo klinkt het ook. Als je het laatste woord uitspreekt, klinkt het echter een beetje als ‘auwer’, wat met een klinker begint, dus daarom gebruik je hier ook an.

The is de Engelse versie van ‘de’ en ‘het’. Iets makkelijker dan het Nederlands dus, want je hoeft niet te weten of een woord mannelijk/vrouwelijk of onzijdig is.


Persoonlijke Voornaamwoorden Enkelvoud

De Engelse persoonlijke voornaamwoorden in het enkelvoud zijn:

Nederlands Engels
Ik I
Jij/U You
Hij/Zij//Het He/She/It

Het Engels maakt geen onderscheid tussen ‘u’ en ‘jij’.


Werkwoordsvervoeging Enkelvoud

De werkwoordsvervoeging van regelmatige werkwoorden is in het Engels gelukkig niet heel moeilijk. Als je de infinitief van het werkwoord kent, kom je al een heel eind. In het enkelvoud gebeurt er voor de eerste en tweede persoon helemaal niks, je gebruikt gewoon de infinitief – de vorm van het werkwoord die je in het woordenboek vindt. En voor de derde persoon enkelvoud voeg je gewoon een ’s’ aan de infinitief toe.

Persoonlijk Voornaamwoord Vervoeging Voorbeeld
I [infinitief] I drink - Ik drink
You [infinitief] You drink - Jij drinkt
He/She/It [infinitief]+s He/She/It drinks - Hij/Zij/Het drinkt

Zijn

Het werkwoord ‘zijn’ – to be in het Engels – is, net als in het Nederlands, onregelmatig. We beginnen hier met de enkelvoudsvormen:

Persoonlijk Voornaamwoord to be Voorbeeld
I am I am a boy - Ik ben een jongen
You are You are a girl - Jij bent een meisje
He/She/It is He/She/It is Dutch - Hij/Zij/Het is Nederlands

Veel succes met je eerste les!

Basis 2 updated 2018-10-25 ^

Persoonlijke Voornaamwoorden Meervoud

De Engelse persoonlijke voornaamwoorden in het enkelvoud hebben we al in Basis 1 besproken. Hieronder vind je een schema met de enkelvouds- én de meervoudsvormen:

Nederlands Engels
Ik I
Jij/U You
Hij/Zij//Het He/She/It
Wij We
Jullie You
Zij They

Je ziet dat er in het Engels geen verschil bestaat tussen de tweede persoon enkelvoud en tweede persoon meervoud; je gebruikt in beide gevallen you.


Werkwoordsvervoeging Meervoud

In Basis 1 hebben we ook de werkwoordsvervoeging in het enkelvoud besproken. De enkelvoudsvormen waren gelukkig niet heel moeilijk. De meervoudsvormen zijn nog makkelijker Hieronder een overzicht van zowel de enkelvouds- als de meervoudsvormen:

Persoonlijk Voornaamwoord Vervoeging Voorbeeld
I [infinitief] I drink - Ik drink
You [infinitief] You drink - Jij drinkt
He/She/It [infinitief]+s He/She/It drinks - Hij/Zij/Het drinkt
We [infinitief] We drink - Wij drinken
You [infinitief] You drink - Jullie drinken
They [infinitief] They drink - Zij drinken

Je ziet dat je in het meervoud alleen de infinitief gebruikt; heel makkelijk dus. Daardoor bestaat er in het Engels helemaal geen verschil tussen ‘jij drinkt’ en ‘jullie drinken’. In beide gevallen is dit you drink – en dat geldt voor de meeste werkwoorden.

In tegenstelling tot ‘zij’ in het Nederlands bijvoorbeeld. Hoewel we een vorm van ‘zij’ in het enkelvoud en het meervoud hebben, kun je altijd aan het werkwoord zien of het enkelvoud of meervoud is: ‘zij drinkt’ of ‘zij drinken’.

Houd dus met you rekening als je van het Engels naar het Nederlands vertaalt. Dit is vooral belangrijk als het een meerkeuzevraag is, want Duo vraagt altijd naar alle goede antwoorden!


Zijn

In de vorige les hebben we al naar de enkelvoudsvormen van to be gekeken. Hieronder vind je zo nog een keer, samen met de meervoudsvormen; die gelukkig iets makkelijker zijn.

Persoonlijk Voornaamwoord to be Voorbeeld
I am I am a boy - Ik ben een jongen
You are You are a girl - Jij bent een meisje
He/She/It is He/She/It is sick - Hij/Zij/Het is ziek
We are We are girls - Wij zijn meisjes
You are You are boys - Jullie zijn jongens
They are They are sick - Zij zijn ziek

Zoals je ziet hebben we de vorm are al bij de tweede persoon enkelvoud gezien. In het meervoud is dat de enige vorm die we gebruiken.


Hebben

Het werkwoord ‘hebben’ – to have in het Engels – is, net als in het Nederlands, ook onregelmatig. Hieronder een overzicht van alle vormen:

Persoonlijk Voornaamwoord to have Voorbeeld
I have I have a menu - Ik heb een menu
You have You have a sandwich - Jij hebt een boterham
He/She/It has He/She/It has a newspaper - Hij/Zij/Het heeft een krant
We have We have children - Wij hebben kinderen
You have You have boys - Jullie hebben jongens
They have They have girls - Zij hebben meisjes

Meervoud

We hebben in deze les al veel besproken, dus wat betreft het meervoud houden we het hier kort. We gaan er in een latere les verder op in. In het algemeen vorm je het meervoud door een 's' achter het woord te plakken, bijvoorbeeld girl - girls. Er bestaan echter ook enkele uitzonderingen, zoals child - children.

Veel succes met Basis 2!

Alledaagse uitdrukkingen updated 2018-10-25 ^

Begroetingen

Net als in het Nederlands, zijn er in het Engels natuurlijk heel veel verschillende manieren om iemand te begroeten. We zullen er hier een aantal bespreken. De meest eenvoudige begroeting is waarschijnlijk de Engelse versie van 'hallo': Hello.

Net als het Nederlands, heeft het Engels ook een versie van 'goed + dagdeel'. In het Nederlands zeg je 'goedemorgen', in het Engels zeg je good morning. Het enige verschil is eigenlijk dat je de woorden niet aan elkaar schrijft.

Dagdeel Begroeting
Morgen = Morning Good morning
Middag = Afternoon Good afternoon
Avond = Evening Good evening
Nacht = Night Good night

Succes met de derde les!

Bezittelijke Voornaamwoorden updated 2018-10-25 ^

Bezittelijk Voornaamwoord

Het Engels heeft de volgende bezittelijke voornaamwoorden:

Nederlands Engels
mijn my
je/jouw/uw your
zijn/haar his/her/its
ons/onze our
jullie your
hun their

Je ziet dat de tweede persoon enkelvoud en meervoud weer dezelfde vorm hebben in het Engels. Let dus op bij oefeningen waar je alle goede antwoorden moet selecteren!


Zelfstandig Bezittelijk Voornaamwoord

Het Engels heeft, net als het Nederlands, ook zelfstandige bezittelijke voornaamwoorden:

Nederlands Engels
de/het mijne mine
de/het jouwe/uwe yours
de/het zijne/hare his/hers/its*
de/het onze ours
- yours*
de/het hunne theirs

* Let op! In tegenstelling tot het Nederlands heeft het Engels wel een zelfstandig bezittelijk voornaamwoord voor de derde persoon enkelvoud onzijdig en de tweede persoon meervoud. Als je die vormen vertaalt, gebruik je dus de van-constructie: Is that coat yours? – Is die jas van jullie?

Veel plezier met deze les!

Objectieve voornaamwoorden updated 2018-10-25 ^

Persoonlijke Voornaamwoorden

In Basis 1 en Basis 2 hebben we de persoonlijke voornaamwoorden ook al besproken, maar in die les hebben we alleen naar de subjectvormen gekeken. Een persoonlijk voornaamwoord kan ook als object gebruikt worden:

  • Subject: Hij kust de kat.
  • Object: De kat kust hem

Zoals je ziet staat het object in de zin niet alleen op een andere plek, maar de vorm verandert ook. Net als in het Engels:

  • Subject: He kisses the cat.
  • Object: The cat kisses him.
Nederlands Engels
mij me
je/jou/u you
hem/haar/het him/her/it
ons us
jullie you
hun/hen/ze them

Ook hier zijn de tweede persoon enkelvoud en meervoud weer hetzelfde. Sterker nog, ze zijn precies hetzelfde als de subjectvormen. Pas dus goed op als je van het Engels naar het Nederlands vertaalt!

Veel succes!

Werkwoorden: t.t. updated 2018-10-25 ^

In Basis 1 en Basis 2 hebben we al eerder naar de werkwoordsvervoeging van de present tense gekeken. Omdat we in deze les veel nieuwe werkwoorden zullen zien, herhalen we nog eens de Engelse (regelmatige) werkwoordsvervoeging:

Persoonlijk Voornaamwoord Vervoeging Voorbeeld
I [infinitief] I drink - Ik drink
You [infinitief] You drink - Jij drinkt
He/She/It [infinitief]+s He/She/It drinks - Hij/Zij/Het drinkt
We [infinitief] We drink - Wij drinken
You [infinitief] You drink - Jullie drinken
They [infinitief] They drink - Zij drinken

We hebben al eerder besproken dat de infinitief die vorm van het werkwoord is die je in een woordenboek vindt. En dat je in de tegenwoordige tijd eigenlijk bijna altijd de infinitief gebruikt; behalve in de derde persoon enkelvoud, dan plaats je er een -s achter.

Er worden twee werkwoorden in deze les gebruikt, die niet helemaal regelmatig zijn: to go en to touch. Bij to go zul je zien dat de derde persoon enkelvoud niet alleen een 's' krijgt, maar ook nog een 'e'; je zet er dus -es achter: Hij gaat – He goes. To touch krijgt ook -es, maar die vorm wordt in deze les niet gebruikt: Hij raakt de kat aan – He touches the cat.

Succes met de present tense!

Vragen updated 2018-10-25 ^

Vragen

Het Engels heeft net als het Nederlands ook vraagwoorden. En deze les draait vooral om de verschillende vraagwoorden en hoe je deze kunt gebruiken. Het gebruik van de vraagwoorden verschilt eigenlijk nauwelijks van het Nederlands. Hoewel je bijvoorbeeld wel zult zien dat de letterlijk vertaling van whose, ‘wiens’ of ‘wier’ is. Woorden die wij in het Nederlands niet (meer) zo vaak gebruiken. Whose cat is that vertalen de meeste mensen niet als ‘Wier kat is dat?’; dat klinkt nogal deftig. Het is veel gewoonlijker om het als ‘Van wie is die kat?’ te vertalen. Maar afgezien daarvan, zijn de Engelse vraagwoorden heel vergelijkbaar met de Nederlandse.

In het Nederlands maak je een vraag meestal door het onderwerp en de persoonsvorm in de zin om te draaien. ‘Jij bent een man’ – ‘Ben jij een man?’. Dit omdraaien heet ook wel inversie, inversion in het Engels. En inversie wordt in het Engels ook toegepast: You are a manAre you a man?

Maar je moet in het Engels ook vaak gebruik maken van het werkwoord to do om een vraag te maken. Je zult dit ook in deze les zien. In het Nederlands zeg je: ‘Jij hebt brood’ – ‘Heb jij brood?’. In het Engels gebruik je hier ‘to do’: You have bread – Do you have bread?.

Dus wanneer gebruik je nou gewoon inversie en wanneer gebruik je nou to do? Dat is gelukkig makkelijk uit te leggen. Als de persoonsvorm een hulpwerkwoord (auxiliary verb) of een vorm van to be is, dan gebruik je gewoon inversie. In alle andere gevallen – als de persoonsvorm dus een hoofdwerkwoord (lexical verb) is – gebruik je to do.

  • De persoonsvorm can is een hulpwerkwoord: You can walkCan you walk? – Je kunt lopen – Kun je lopen?

  • De persoonsvorm is is een vorm van to be: He is sickIs he sick? – Hij is ziek – Is hij ziek?

  • De persoonsvorm is een hoofdwerkwoord: He walksDoes he walk? – Hij loopt – Loopt hij?


Je kunt in het Nederlands ook een vraagwoord in deze constructies gebruiken, bijvoorbeeld: ‘Heb jij brood?’ – ‘Welk brood heb jij?’. Dit gebeurt in het Engels ook: Do you have bread?What bread do you have? En dit zijn de soort zinnen die je vooral in deze les zult zien. Probeer de bovenstaande regels echter ook te leren en kijk of je in de komende lessen al wat vraagzinnen kunt herkennen.

Veel succes!


7 skills with tips and notes

 
4.930