Streak Hall of Fame
5

Wilma867125

Wilma

106958 XP#281613 280.
2032#8656
5025

Learning English from Dutch

Level 25 · 106958 XP
76958 XP beyond level 25

Crowns: 280/330
9.1% complete · 165 sessions to L6 tree · 46 days to go

Skills: 55
You finished every skill

Lessons: 285
You finished every lesson
!
Lexemes: 1952
You have seen every word available
?
Strength: 90%
3223000

Created: 2015-08-13
Last Goal: 2021-12-06
Daily Goal: 20 XP
Timezone: UTC+1

Last update: 2021-12-05 19:39:10 GMT+3


113975877

XP per Skill (4 weeks)raw

Basis 1
 
Basis 2
 
Alledaagse uitdrukkingen
 
Eten
1257XP
Dieren
1076XP
Meervoud
763XP
Bezittelijke Voornaamwoorden
 
Objectieve voornaamwoorden
 
Kleding
678XP
Werkwoorden: t.t.
526XP
Kleuren
81XP
Vragen
27XP
Voegwoorden
 
Voorzetsels
 
Tijd
 
Familie
27XP
Beroepen
 
Bijvoegelijke Naamwoorden 1
 
Werkwoorden: t.t. 2
 
Bijwoorden
23XP
Plaatsen
 
Voorwerpen
 
Mensen
 
Reizen
 
Bepaalde lidwoorden
 
Cijfers
 
Werkwoorden: t.t. 3
 
Onderwijs
 
Werkwoorden: Verleden Tijd
 
Werkwoorden: Infinitief
23XP
Werkwoorden: Verleden tijd 2
 
Abstracte Voorwerpen 1
 
Verbuiging bijv. nw.
 
Werkwoorden: v.t.t.
 
Werkwoorden: Infinitief 2
 
Betrekkelijke voornaamwoorden
 
Werkwoorden: Voltooid verleden tijd
 
Abstracte Voorwerpen 2
 
Wed. vnw.
 
Natuur
 
Werkwoorden: Gerundium
 
Sporten
 
Kunst
 
Communicatie
 
Medisch
 
Werkwoorden: Toekomende tijd
 
Politiek
 
Werkwoorden: Toekomstige tijd
 
Wetenschap
 
Werkwoorden: Voltooid Toek. Tijd
 
Zaken
 
Werkwoorden: Modaal
 
Gebeurtenissen
 
Werkwoorden: v.v.t.t.
 
Attributen
 

Skills by StrengthCrownsDateNameOriginal Order

  • 143947459013.08.2015
    5.005Basis 10 @ 100%120/3 ••• Practice Test out
    I · a · am · an · and · apple · boy · bread · drink · drinks · eat · eats · girl · he · i · is · man · she · the · water · woman
    21 words
    Lidwoorden

    Het Engels heeft twee lidwoorden, the en a(n).

    A(n) is het onbepaald lidwoord, de Engelse versie van ‘een’. Om te bepalen of je a of an gebruikt, luister je naar de klank van de eerste letter van het volgende woord. Klinkt de eerste letter als een medeklinker, dan gebruik je a, en als je een klinker hoort, gebruik je an. Dat klinkt een beetje verwarrend, dus laten we naar een paar voorbeelden kijken:


    • a boy - een jongen



    • a house - een huis



    • a university - een universiteit



    • an apple - een appel



    • an hour - een uur



    Je ziet dat de eerste twee woorden met een medeklinker beginnen en als je ze uitspreekt – klik op het woord om naar de uitspraak te luisteren – klinkt de eerste klank ook als een medeklinker. Het derde woord university begint met een klinker, als je het uitspreekt, klinkt het echter alsof het met een ‘J’ begint. Daarom schrijf je toch a en niet an. Het vierde woord, apple, begint met een klinker, en zo klinkt het ook. Als je het laatste woord uitspreekt, klinkt het echter een beetje als ‘auwer’, wat met een klinker begint, dus daarom gebruik je hier ook an.

    The is de Engelse versie van ‘de’ en ‘het’. Iets makkelijker dan het Nederlands dus, want je hoeft niet te weten of een woord mannelijk/vrouwelijk of onzijdig is.


    Persoonlijke Voornaamwoorden Enkelvoud

    De Engelse persoonlijke voornaamwoorden in het enkelvoud zijn:

    Nederlands Engels
    Ik I
    Jij/U You
    Hij/Zij//Het He/She/It

    Het Engels maakt geen onderscheid tussen ‘u’ en ‘jij’.


    Werkwoordsvervoeging Enkelvoud

    De werkwoordsvervoeging van regelmatige werkwoorden is in het Engels gelukkig niet heel moeilijk. Als je de infinitief van het werkwoord kent, kom je al een heel eind. In het enkelvoud gebeurt er voor de eerste en tweede persoon helemaal niks, je gebruikt gewoon de infinitief – de vorm van het werkwoord die je in het woordenboek vindt. En voor de derde persoon enkelvoud voeg je gewoon een ’s’ aan de infinitief toe.

    Persoonlijk Voornaamwoord Vervoeging Voorbeeld
    I [infinitief] I drink - Ik drink
    You [infinitief] You drink - Jij drinkt
    He/She/It [infinitief]+s He/She/It drinks - Hij/Zij/Het drinkt

    Zijn

    Het werkwoord ‘zijn’ – to be in het Engels – is, net als in het Nederlands, onregelmatig. We beginnen hier met de enkelvoudsvormen:

    Persoonlijk Voornaamwoord to be Voorbeeld
    I am I am a boy - Ik ben een jongen
    You are You are a girl - Jij bent een meisje
    He/She/It is He/She/It is Dutch - Hij/Zij/Het is Nederlands

    Veel succes met je eerste les!

  • 143947520113.08.2015
    5.005Basis 20 @ 100%210/3 ••• Practice Test out
    are · book · boys · child · children · girls · has · men · menu · milk · newspaper · read · reads · rice · sandwich · they · we · women · you
    19 words
    Persoonlijke Voornaamwoorden Meervoud

    De Engelse persoonlijke voornaamwoorden in het enkelvoud hebben we al in Basis 1 besproken. Hieronder vind je een schema met de enkelvouds- én de meervoudsvormen:

    Nederlands Engels
    Ik I
    Jij/U You
    Hij/Zij//Het He/She/It
    Wij We
    Jullie You
    Zij They

    Je ziet dat er in het Engels geen verschil bestaat tussen de tweede persoon enkelvoud en tweede persoon meervoud; je gebruikt in beide gevallen you.


    Werkwoordsvervoeging Meervoud

    In Basis 1 hebben we ook de werkwoordsvervoeging in het enkelvoud besproken. De enkelvoudsvormen waren gelukkig niet heel moeilijk. De meervoudsvormen zijn nog makkelijker Hieronder een overzicht van zowel de enkelvouds- als de meervoudsvormen:

    Persoonlijk Voornaamwoord Vervoeging Voorbeeld
    I [infinitief] I drink - Ik drink
    You [infinitief] You drink - Jij drinkt
    He/She/It [infinitief]+s He/She/It drinks - Hij/Zij/Het drinkt
    We [infinitief] We drink - Wij drinken
    You [infinitief] You drink - Jullie drinken
    They [infinitief] They drink - Zij drinken

    Je ziet dat je in het meervoud alleen de infinitief gebruikt; heel makkelijk dus. Daardoor bestaat er in het Engels helemaal geen verschil tussen ‘jij drinkt’ en ‘jullie drinken’. In beide gevallen is dit you drink – en dat geldt voor de meeste werkwoorden.

    In tegenstelling tot ‘zij’ in het Nederlands bijvoorbeeld. Hoewel we een vorm van ‘zij’ in het enkelvoud en het meervoud hebben, kun je altijd aan het werkwoord zien of het enkelvoud of meervoud is: ‘zij drinkt’ of ‘zij drinken’.

    Houd dus met you rekening als je van het Engels naar het Nederlands vertaalt. Dit is vooral belangrijk als het een meerkeuzevraag is, want Duo vraagt altijd naar alle goede antwoorden!


    Zijn

    In de vorige les hebben we al naar de enkelvoudsvormen van to be gekeken. Hieronder vind je zo nog een keer, samen met de meervoudsvormen; die gelukkig iets makkelijker zijn.

    Persoonlijk Voornaamwoord to be Voorbeeld
    I am I am a boy - Ik ben een jongen
    You are You are a girl - Jij bent een meisje
    He/She/It is He/She/It is sick - Hij/Zij/Het is ziek
    We are We are girls - Wij zijn meisjes
    You are You are boys - Jullie zijn jongens
    They are They are sick - Zij zijn ziek

    Zoals je ziet hebben we de vorm are al bij de tweede persoon enkelvoud gezien. In het meervoud is dat de enige vorm die we gebruiken.


    Hebben

    Het werkwoord ‘hebben’ – to have in het Engels – is, net als in het Nederlands, ook onregelmatig. Hieronder een overzicht van alle vormen:

    Persoonlijk Voornaamwoord to have Voorbeeld
    I have I have a menu - Ik heb een menu
    You have You have a sandwich - Jij hebt een boterham
    He/She/It has He/She/It has a newspaper - Hij/Zij/Het heeft een krant
    We have We have children - Wij hebben kinderen
    You have You have boys - Jullie hebben jongens
    They have They have girls - Zij hebben meisjes

    Meervoud

    We hebben in deze les al veel besproken, dus wat betreft het meervoud houden we het hier kort. We gaan er in een latere les verder op in. In het algemeen vorm je het meervoud door een 's' achter het woord te plakken, bijvoorbeeld girl - girls. Er bestaan echter ook enkele uitzonderingen, zoals child - children.

    Veel succes met Basis 2!

  • 143949293213.08.2015
    5.005Alledaagse uitdrukkingen0 @ 100%230/3 ••• Practice Test out
    bye · english · fine · goodbye · hello · morning · night · no · not · please · sorry · speaks · thanks · yes · you
    15 words
    Begroetingen

    Net als in het Nederlands, zijn er in het Engels natuurlijk heel veel verschillende manieren om iemand te begroeten. We zullen er hier een aantal bespreken. De meest eenvoudige begroeting is waarschijnlijk de Engelse versie van 'hallo': Hello.

    Net als het Nederlands, heeft het Engels ook een versie van 'goed + dagdeel'. In het Nederlands zeg je 'goedemorgen', in het Engels zeg je good morning. Het enige verschil is eigenlijk dat je de woorden niet aan elkaar schrijft.

    Dagdeel Begroeting
    Morgen = Morning Good morning
    Middag = Afternoon Good afternoon
    Avond = Evening Good evening
    Nacht = Night Good night

    Succes met de derde les!

  • 1670361973
    6.246Eten0 @ 100%3124/24 ••• Practice
    breakfast · chicken · coffee · egg · fish · lunch · orange · plate · sugar · wine
    10 words
  • 143965164615.08.2015
    6.126Dieren0 @ 100%3312/12 ••• Practice
    animal · bird · cat · crab · dog · duck · elephant · horse · spider · turtle
    10 words
  • 143982320617.08.2015
    6.126Meervoud0 @ 100%4212/12 ••• Practice
    animals · apples · books · cats · dogs · ducks · elephants · horses · newspapers · turtles
    10 words
  • 143982376717.08.2015
    5.005Bezittelijke Voornaamwoorden0 @ 100%510/2 ••• Practice Test out
    ' · 's · her · his · its · mine · my · our · ours · their · your · yours
    12 words
    Bezittelijk Voornaamwoord

    Het Engels heeft de volgende bezittelijke voornaamwoorden:

    Nederlands Engels
    mijn my
    je/jouw/uw your
    zijn/haar his/her/its
    ons/onze our
    jullie your
    hun their

    Je ziet dat de tweede persoon enkelvoud en meervoud weer dezelfde vorm hebben in het Engels. Let dus op bij oefeningen waar je alle goede antwoorden moet selecteren!


    Zelfstandig Bezittelijk Voornaamwoord

    Het Engels heeft, net als het Nederlands, ook zelfstandige bezittelijke voornaamwoorden:

    Nederlands Engels
    de/het mijne mine
    de/het jouwe/uwe yours
    de/het zijne/hare his/hers/its*
    de/het onze ours
    - yours*
    de/het hunne theirs

    * Let op! In tegenstelling tot het Nederlands heeft het Engels wel een zelfstandig bezittelijk voornaamwoord voor de derde persoon enkelvoud onzijdig en de tweede persoon meervoud. Als je die vormen vertaalt, gebruik je dus de van-constructie: Is that coat yours? – Is die jas van jullie?

    Veel plezier met deze les!

  • 143987925718.08.2015
    5.005Objectieve voornaamwoorden0 @ 100%530/1 ••• Practice Test out
    her · him · it · me · them · us · you
    7 words
    Persoonlijke Voornaamwoorden

    In Basis 1 en Basis 2 hebben we de persoonlijke voornaamwoorden ook al besproken, maar in die les hebben we alleen naar de subjectvormen gekeken. Een persoonlijk voornaamwoord kan ook als object gebruikt worden:

    • Subject: Hij kust de kat.
    • Object: De kat kust hem

    Zoals je ziet staat het object in de zin niet alleen op een andere plek, maar de vorm verandert ook. Net als in het Engels:

    • Subject: He kisses the cat.
    • Object: The cat kisses him.
    Nederlands Engels
    mij me
    je/jou/u you
    hem/haar/het him/her/it
    ons us
    jullie you
    hun/hen/ze them

    Ook hier zijn de tweede persoon enkelvoud en meervoud weer hetzelfde. Sterker nog, ze zijn precies hetzelfde als de subjectvormen. Pas dus goed op als je van het Engels naar het Nederlands vertaalt!

    Veel succes!

  • 144000059219.08.2015
    6.126Kleding0 @ 100%6212/12 ••• Practice
    clothes · coats · dresses · pants · shirts · shoes · skirt · suits · wear · wears
    10 words
  • 144025512622.08.2015
    6.426Werkwoorden: t.t.0 @ 100%7142/42 ••• Practice
    cook · cooks · design · find · go · goes · hear · hears · know · like · likes · listen · listens · loves · make · pays · play · plays · rains · run · runs · says · see · sees · sleeps · support · swim · swims · take · tell · use · walk · walks · want · wants · work · write · writes
    38 words

    In Basis 1 en Basis 2 hebben we al eerder naar de werkwoordsvervoeging van de present tense gekeken. Omdat we in deze les veel nieuwe werkwoorden zullen zien, herhalen we nog eens de Engelse (regelmatige) werkwoordsvervoeging:

    Persoonlijk Voornaamwoord Vervoeging Voorbeeld
    I [infinitief] I drink - Ik drink
    You [infinitief] You drink - Jij drinkt
    He/She/It [infinitief]+s He/She/It drinks - Hij/Zij/Het drinkt
    We [infinitief] We drink - Wij drinken
    You [infinitief] You drink - Jullie drinken
    They [infinitief] They drink - Zij drinken

    We hebben al eerder besproken dat de infinitief die vorm van het werkwoord is die je in een woordenboek vindt. En dat je in de tegenwoordige tijd eigenlijk bijna altijd de infinitief gebruikt; behalve in de derde persoon enkelvoud, dan plaats je er een -s achter.

    Er worden twee werkwoorden in deze les gebruikt, die niet helemaal regelmatig zijn: to go en to touch. Bij to go zul je zien dat de derde persoon enkelvoud niet alleen een 's' krijgt, maar ook nog een 'e'; je zet er dus -es achter: Hij gaat – He goes. To touch krijgt ook -es, maar die vorm wordt in deze les niet gebruikt: Hij raakt de kat aan – He touches the cat.

    Succes met de present tense!

  • 144031735423.08.2015
    5.005Kleuren0 @ 100%730/2 ••• Practice Test out
    black · blue · brown · colorful · colors · gray · green · orange · pink · purple · red · white · yellow
    13 words
  • 144049345425.08.2015
    5.005Vragen0 @ 100%810/2 ••• Practice Test out
    answer · do · does · have · how · question · what · what · when · where · which · which · who · whose · whose · why
    16 words
    Vragen

    Het Engels heeft net als het Nederlands ook vraagwoorden. En deze les draait vooral om de verschillende vraagwoorden en hoe je deze kunt gebruiken. Het gebruik van de vraagwoorden verschilt eigenlijk nauwelijks van het Nederlands. Hoewel je bijvoorbeeld wel zult zien dat de letterlijk vertaling van whose, ‘wiens’ of ‘wier’ is. Woorden die wij in het Nederlands niet (meer) zo vaak gebruiken. Whose cat is that vertalen de meeste mensen niet als ‘Wier kat is dat?’; dat klinkt nogal deftig. Het is veel gewoonlijker om het als ‘Van wie is die kat?’ te vertalen. Maar afgezien daarvan, zijn de Engelse vraagwoorden heel vergelijkbaar met de Nederlandse.

    In het Nederlands maak je een vraag meestal door het onderwerp en de persoonsvorm in de zin om te draaien. ‘Jij bent een man’ – ‘Ben jij een man?’. Dit omdraaien heet ook wel inversie, inversion in het Engels. En inversie wordt in het Engels ook toegepast: You are a manAre you a man?

    Maar je moet in het Engels ook vaak gebruik maken van het werkwoord to do om een vraag te maken. Je zult dit ook in deze les zien. In het Nederlands zeg je: ‘Jij hebt brood’ – ‘Heb jij brood?’. In het Engels gebruik je hier ‘to do’: You have bread – Do you have bread?.

    Dus wanneer gebruik je nou gewoon inversie en wanneer gebruik je nou to do? Dat is gelukkig makkelijk uit te leggen. Als de persoonsvorm een hulpwerkwoord (auxiliary verb) of een vorm van to be is, dan gebruik je gewoon inversie. In alle andere gevallen – als de persoonsvorm dus een hoofdwerkwoord (lexical verb) is – gebruik je to do.

    • De persoonsvorm can is een hulpwerkwoord: You can walkCan you walk? – Je kunt lopen – Kun je lopen?

    • De persoonsvorm is is een vorm van to be: He is sickIs he sick? – Hij is ziek – Is hij ziek?

    • De persoonsvorm is een hoofdwerkwoord: He walksDoes he walk? – Hij loopt – Loopt hij?


    Je kunt in het Nederlands ook een vraagwoord in deze constructies gebruiken, bijvoorbeeld: ‘Heb jij brood?’ – ‘Welk brood heb jij?’. Dit gebeurt in het Engels ook: Do you have bread?What bread do you have? En dit zijn de soort zinnen die je vooral in deze les zult zien. Probeer de bovenstaande regels echter ook te leren en kijk of je in de komende lessen al wat vraagzinnen kunt herkennen.

    Veel succes!

  • 144057236626.08.2015
    5.005Voegwoorden0 @ 100%830/1 ••• Practice Test out
    because · but · if · or · that · when · whenever · while
    8 words
  • 144077596328.08.2015
    5.005Voorzetsels0 @ 100%920/4 ••• Practice Test out
    about · after · against · among · as · at · behind · between · by · during · except · for · from · in · like · near · of · off · on · out · over · to · towards · under · with · without
    26 words
  • 144215136913.09.2015
    5.005Tijd25 @ 75%1010/4 ••• Practice Test out
    afternoons · calendars · monday · morning · night · time · today · tomorrow · tonight · tuesdays
    10 words
  • 144231608915.09.2015
    5.005Familie0 @ 100%1030/3 ••• Practice Test out
    brother · daughter · fathers · husband · mother · parent · sibling · sister · sons · wives
    10 words
  • 144299946223.09.2015
    5.005Beroepen0 @ 100%1120/4 ••• Practice Test out
    author · careers · director · doctor · jobs · models · police · staff · student · works
    10 words
  • 144377366602.10.2015
    5.005Bijvoegelijke Naamwoorden 10 @ 100%1210/4 ••• Practice Test out
    afraid · alive · available · beautiful · bilingual · clean · convenient · cultural · different · dirty · efficient · excellent · expensive · familiar · famous · final · frequent · future · general · historical · human · important · impossible · independent · interesting · left · legal · little · living · local · main · military · minimum · modern · necessary · negative · next · normal · official · open · opposite · own · perfect · personal · popular · positive · possible · private · professional · real · recent · religious · responsible · sad · same · serious · special · tired · traditional · whole · wooden · wrong
    62 words
  • 1670361973
    5.005Werkwoorden: t.t. 20 @ 100%1230/4 ••• Practice Test out
    call · change · come · live · look · open · return · save · sign · think
    10 words
  • 144646344402.11.2015
    5.005Bijwoorden0 @ 100%1320/4 ••• Practice Test out
    again · almost · already · also · always · anywhere · approximately · as · away · clearly · completely · currently · definitely · easily · else · enough · especially · even · ever · exactly · far · finally · generally · here · however · just · late · later · least · more · much · necessarily · neither · never · nor · normally · now · once · only · perfectly · possibly · pretty · really · slowly · so · sometimes · soon · still · then · there · together · too · twice · usually · very · well · yet
    57 words
  • 144802347320.11.2015
    5.005Plaatsen25 @ 75%1410/4 ••• Practice Test out
    airport · bathrooms · beaches · city · hotel · house · kitchens · restaurants · street · yard
    10 words
  • 144836405624.11.2015
    5.005Voorwerpen0 @ 100%1430/4 ••• Practice Test out
    beds · bottle · bowls · chair · computers · magazines · scissors · spoons · tables · televisions · through · tv · window
    13 words
  • 144860414227.11.2015
    5.005Mensen0 @ 100%1520/3 ••• Practice Test out
    babies · boyfriends · committees · conference · enemy · friend · girlfriends · human · persons · public
    10 words
  • 145146301930.12.2015
    5.005Reizen25 @ 75%1610/4 ••• Practice Test out
    airplanes · bicycle · boats · buses · car · motorcycles · suitcases · train · travel · travels
    10 words
  • 145172745102.01.2016
    5.005Bepaalde lidwoorden0 @ 100%1620/4 ••• Practice Test out
    all · all · another · any · anybody · anything · both · each · every · everybody · everyone · everything · few · no · nobody · none · nothing · one · other · someone · something · such · that · that · these · these · this · this · those · those
    30 words
  • 145319428319.01.2016
    5.005Cijfers0 @ 100%1630/4 ••• Practice Test out
    amount · average · eight · eighteen · eighty · eleven · enough · fifteen · fifty · first · five · forty · four · fourteen · fourth · half · hundred · last · less · majority · many · meter · million · more · much · nine · nineteen · ninety · one · pair · per · seven · seventeen · seventy · six · sixteen · sixty · some · sum · ten · third · thirteen · thirty · thousands · three · total · twelve · twenty · two
    49 words
  • 144436661009.10.2015
    5.005Werkwoorden: t.t. 325 @ 75%1710/4 ••• Practice Test out
    adds · agree · allows · announce · appear · appears · arrive · asks · assumes · begins · believes · calls · contains · continues · count · counts · creates · cuts · deliver · delivers · demands · dry · explains · feels · fill · finds · fits · fly · follows · gets · gives · helps · import · introduce · knows · leaves · lives · looks · mix · opens · presents · produces · put · puts · receives · reserve · reserves · respect · serves · sets · signs · sing · spend · supports · talks · tells · thinks · tries · uses · visits · watches · wins · wishes
    63 words
  • 145474889906.02.2016
    5.005Onderwijs0 @ 100%1730/4 ••• Practice Test out
    course · education · library · meaning · notes · pens · programs · schools · sections · studies · teacher · teaching · training
    13 words
  • 145725375006.03.2016
    5.005Werkwoorden: Verleden Tijd0 @ 100%1810/4 ••• Practice Test out
    answered · appeared · ate · born · called · came · cooked · decided · died · drank · entered · explained · fell · felt · finished · found · gave · had · happened · heard · informed · introduced · kept · knew · left · liked · listened · looked · lost · loved · made · opened · performed · played · rained · reached · recently · returned · said · saw · seemed · showed · spoke · started · stayed · stopped · supported · talked · thought · told · took · touched · tried · turned · used · walked · wanted · was · watched · went · were · won · wrote · yesterday
    64 words
  • 145880035724.03.2016
    5.005Werkwoorden: Infinitief0 @ 100%1830/4 ••• Practice Test out
    add · be · buy · call · change · close · come · cook · create · do · does · enter · get · give · have · help · keep · learn · let · look · love · need · pay · place · rain · rent · say · see · sell · set · show · sleep · speak · start · study · swim · think · touch · try · visit · walk · write
    42 words
  • 145967137603.04.2016
    5.005Werkwoorden: Verleden tijd 225 @ 75%1920/4 ••• Practice Test out
    did · drink · eat · go · hear · like · make · say · see · tell
    10 words
  • 146234230204.05.2016
    5.005Abstracte Voorwerpen 125 @ 75%2010/4 ••• Practice Test out
    groups · list · loves · order · parts · review · service · systems · views · ways
    10 words
  • 146363591819.05.2016
    5.005Verbuiging bijv. nw.25 @ 75%2030/4 ••• Practice Test out
    able · alone · bad · best · better · big · bigger · cheaper · cleaner · clear · cold · deep · fair · fast · free · full · good · great · happy · hard · hot · large · less · long · new · nice · old · older · poor · prettier · pretty · pure · ready · rich · sharp · short · simple · small · smaller · strong · sure · sweet · tall · than · true · weak · worse · worst · young · younger
    50 words
  • 146614496917.06.2016
    5.005Werkwoorden: v.t.t.0 @ 100%2120/4 ••• Practice Test out
    ago · been · before · cooked · has · have · played · previous · previously · rained · read · since · walked · wanted
    14 words
  • 146883014718.07.2016
    5.005Werkwoorden: Infinitief 225 @ 75%2210/4 ••• Practice Test out
    accept · achieve · affect · allow · analyze · answer · appear · apply · assume · avoid · beat · begin · belong · build · choose · continue · count · cover · cut · define · develop · die · exist · explain · feel · finish · fit · forget · hate · how · improve · increase · leave · lets · lose · meet · miss · prepare · prevent · produce · reach · recover · remember · repeat · respond · serve · shut · stay · suffer · talk · though · understand · wait · wake · win
    55 words
  • 146909053221.07.2016
    5.005Betrekkelijke voornaamwoorden0 @ 100%2230/1 ••• Practice Test out
    what · where · which · who · whom · whose
    6 words
  • 146969034828.07.2016
    5.005Werkwoorden: Voltooid verleden tijd25 @ 75%2320/4 ••• Practice Test out
    called · come · eaten · found · given · had · heard · taken · walked · written
    10 words
  • 147063181108.08.2016
    5.005Abstracte Voorwerpen 225 @ 75%2410/4 ••• Practice Test out
    attention · benefits · competitions · efforts · interests · life · religions · respect · situation · title
    10 words
  • 147158617419.08.2016
    5.005Wed. vnw.25 @ 75%2420/1 ••• Practice Test out
    herself · himself · itself · myself · ourselves · themselves · yourself · yourselves
    8 words
  • 147236931728.08.2016
    5.005Natuur0 @ 100%2430/4 ••• Practice Test out
    flower · grasses · moon · rains · seas · skies · suns · tree · volcano · worlds
    10 words
  • 147391922015.09.2016
    5.005Werkwoorden: Gerundium25 @ 75%2510/4 ••• Practice Test out
    calling · coming · cooking · doing · drinking · eating · following · getting · giving · going · happening · having · including · leaving · looking · making · paying · playing · raining · reading · running · saying · seeing · sitting · sleeping · speaking · starting · studying · swimming · taking · talking · thinking · touching · trying · waiting · walking · watching · wearing · working · writing
    40 words
  • 147417937618.09.2016
    5.005Sporten25 @ 75%2530/4 ••• Practice Test out
    ball · exercise · exercises · games · goals · jump · jumps · kick · paths · player · points · scored · sport · step · team · walk
    16 words
  • 147504528828.09.2016
    5.005Kunst25 @ 75%2610/4 ••• Practice Test out
    arts · cameras · films · flute · movie · musical · musics · opening · painting · photo · picture · style · violins
    13 words
  • 147651941415.10.2016
    5.005Communicatie25 @ 75%2630/3 ••• Practice Test out
    channels · comment · communication · information · network · news · press · searches · stories · texts
    10 words
  • 147694627220.10.2016
    5.005Medisch25 @ 75%2710/4 ••• Practice Test out
    bodies · cares · emergencies · eye · hands · heads · health · helps · ill · sick · treatment
    11 words
  • 147996569424.11.2016
    5.005Werkwoorden: Toekomende tijd25 @ 75%2720/4 ••• Practice Test out
    add · be · break · call · change · choose · come · continue · cook · will
    10 words
  • 148048379030.11.2016
    5.005Politiek25 @ 75%2730/4 ••• Practice Test out
    court · governments · law · national · president · safety · securities · societies · tax · war
    10 words
  • 148205270118.12.2016
    5.005Werkwoorden: Toekomstige tijd25 @ 75%2810/4 ••• Practice Test out
    achieve · add · allow · apply · arrive · ask · assume · be · believe · going
    10 words
  • 148447184615.01.2017
    5.005Wetenschap25 @ 75%2830/4 ••• Practice Test out
    alcohol · analyses · article · decrease · details · discover · electric · energies · line · project · research · sciences · sizes · technologies
    14 words
  • 148463207717.01.2017
    5.005Werkwoorden: Voltooid Toek. Tijd0 @ 100%2920/2 ••• Practice Test out
    called · created · decided · died · found · have · received · sent · taken · will
    10 words
  • 148515025323.01.2017
    5.005Zaken25 @ 75%3010/4 ••• Practice Test out
    advertising · board · businesses · card · costs · credit · dollar · global · industries · insurances · moneys · products · sales
    13 words
  • 148532241825.01.2017
    5.005Werkwoorden: Modaal0 @ 100%3030/1 ••• Practice Test out
    can · cannot · could · may · must · should · would
    7 words
  • 148550414127.01.2017
    5.005Gebeurtenissen25 @ 75%3110/2 ••• Practice Test out
    action · attacks · battle · death · delivery · discussion · noises · starts · stops · traffic
    10 words
  • 148584201831.01.2017
    5.005Werkwoorden: v.v.t.t.0 @ 100%3120/2 ••• Practice Test out
    been · changed · considered · discovered · had · have · managed · opened · would · written
    10 words
  • 148843376202.03.2017
    5.005Attributen25 @ 75%3130/2 ••• Practice Test out
    beauty · difference · expression · forces · identity · importances · looks · luck · powers · quality
    10 words
0.029

Basis 1 updated 2018-10-25

Lidwoorden

Het Engels heeft twee lidwoorden, the en a(n).

A(n) is het onbepaald lidwoord, de Engelse versie van ‘een’. Om te bepalen of je a of an gebruikt, luister je naar de klank van de eerste letter van het volgende woord. Klinkt de eerste letter als een medeklinker, dan gebruik je a, en als je een klinker hoort, gebruik je an. Dat klinkt een beetje verwarrend, dus laten we naar een paar voorbeelden kijken:


  • a boy - een jongen



  • a house - een huis



  • a university - een universiteit



  • an apple - een appel



  • an hour - een uur



Je ziet dat de eerste twee woorden met een medeklinker beginnen en als je ze uitspreekt – klik op het woord om naar de uitspraak te luisteren – klinkt de eerste klank ook als een medeklinker. Het derde woord university begint met een klinker, als je het uitspreekt, klinkt het echter alsof het met een ‘J’ begint. Daarom schrijf je toch a en niet an. Het vierde woord, apple, begint met een klinker, en zo klinkt het ook. Als je het laatste woord uitspreekt, klinkt het echter een beetje als ‘auwer’, wat met een klinker begint, dus daarom gebruik je hier ook an.

The is de Engelse versie van ‘de’ en ‘het’. Iets makkelijker dan het Nederlands dus, want je hoeft niet te weten of een woord mannelijk/vrouwelijk of onzijdig is.


Persoonlijke Voornaamwoorden Enkelvoud

De Engelse persoonlijke voornaamwoorden in het enkelvoud zijn:

Nederlands Engels
Ik I
Jij/U You
Hij/Zij//Het He/She/It

Het Engels maakt geen onderscheid tussen ‘u’ en ‘jij’.


Werkwoordsvervoeging Enkelvoud

De werkwoordsvervoeging van regelmatige werkwoorden is in het Engels gelukkig niet heel moeilijk. Als je de infinitief van het werkwoord kent, kom je al een heel eind. In het enkelvoud gebeurt er voor de eerste en tweede persoon helemaal niks, je gebruikt gewoon de infinitief – de vorm van het werkwoord die je in het woordenboek vindt. En voor de derde persoon enkelvoud voeg je gewoon een ’s’ aan de infinitief toe.

Persoonlijk Voornaamwoord Vervoeging Voorbeeld
I [infinitief] I drink - Ik drink
You [infinitief] You drink - Jij drinkt
He/She/It [infinitief]+s He/She/It drinks - Hij/Zij/Het drinkt

Zijn

Het werkwoord ‘zijn’ – to be in het Engels – is, net als in het Nederlands, onregelmatig. We beginnen hier met de enkelvoudsvormen:

Persoonlijk Voornaamwoord to be Voorbeeld
I am I am a boy - Ik ben een jongen
You are You are a girl - Jij bent een meisje
He/She/It is He/She/It is Dutch - Hij/Zij/Het is Nederlands

Veel succes met je eerste les!

Basis 2 updated 2018-10-25

Persoonlijke Voornaamwoorden Meervoud

De Engelse persoonlijke voornaamwoorden in het enkelvoud hebben we al in Basis 1 besproken. Hieronder vind je een schema met de enkelvouds- én de meervoudsvormen:

Nederlands Engels
Ik I
Jij/U You
Hij/Zij//Het He/She/It
Wij We
Jullie You
Zij They

Je ziet dat er in het Engels geen verschil bestaat tussen de tweede persoon enkelvoud en tweede persoon meervoud; je gebruikt in beide gevallen you.


Werkwoordsvervoeging Meervoud

In Basis 1 hebben we ook de werkwoordsvervoeging in het enkelvoud besproken. De enkelvoudsvormen waren gelukkig niet heel moeilijk. De meervoudsvormen zijn nog makkelijker Hieronder een overzicht van zowel de enkelvouds- als de meervoudsvormen:

Persoonlijk Voornaamwoord Vervoeging Voorbeeld
I [infinitief] I drink - Ik drink
You [infinitief] You drink - Jij drinkt
He/She/It [infinitief]+s He/She/It drinks - Hij/Zij/Het drinkt
We [infinitief] We drink - Wij drinken
You [infinitief] You drink - Jullie drinken
They [infinitief] They drink - Zij drinken

Je ziet dat je in het meervoud alleen de infinitief gebruikt; heel makkelijk dus. Daardoor bestaat er in het Engels helemaal geen verschil tussen ‘jij drinkt’ en ‘jullie drinken’. In beide gevallen is dit you drink – en dat geldt voor de meeste werkwoorden.

In tegenstelling tot ‘zij’ in het Nederlands bijvoorbeeld. Hoewel we een vorm van ‘zij’ in het enkelvoud en het meervoud hebben, kun je altijd aan het werkwoord zien of het enkelvoud of meervoud is: ‘zij drinkt’ of ‘zij drinken’.

Houd dus met you rekening als je van het Engels naar het Nederlands vertaalt. Dit is vooral belangrijk als het een meerkeuzevraag is, want Duo vraagt altijd naar alle goede antwoorden!


Zijn

In de vorige les hebben we al naar de enkelvoudsvormen van to be gekeken. Hieronder vind je zo nog een keer, samen met de meervoudsvormen; die gelukkig iets makkelijker zijn.

Persoonlijk Voornaamwoord to be Voorbeeld
I am I am a boy - Ik ben een jongen
You are You are a girl - Jij bent een meisje
He/She/It is He/She/It is sick - Hij/Zij/Het is ziek
We are We are girls - Wij zijn meisjes
You are You are boys - Jullie zijn jongens
They are They are sick - Zij zijn ziek

Zoals je ziet hebben we de vorm are al bij de tweede persoon enkelvoud gezien. In het meervoud is dat de enige vorm die we gebruiken.


Hebben

Het werkwoord ‘hebben’ – to have in het Engels – is, net als in het Nederlands, ook onregelmatig. Hieronder een overzicht van alle vormen:

Persoonlijk Voornaamwoord to have Voorbeeld
I have I have a menu - Ik heb een menu
You have You have a sandwich - Jij hebt een boterham
He/She/It has He/She/It has a newspaper - Hij/Zij/Het heeft een krant
We have We have children - Wij hebben kinderen
You have You have boys - Jullie hebben jongens
They have They have girls - Zij hebben meisjes

Meervoud

We hebben in deze les al veel besproken, dus wat betreft het meervoud houden we het hier kort. We gaan er in een latere les verder op in. In het algemeen vorm je het meervoud door een 's' achter het woord te plakken, bijvoorbeeld girl - girls. Er bestaan echter ook enkele uitzonderingen, zoals child - children.

Veel succes met Basis 2!

Alledaagse uitdrukkingen updated 2018-10-25

Begroetingen

Net als in het Nederlands, zijn er in het Engels natuurlijk heel veel verschillende manieren om iemand te begroeten. We zullen er hier een aantal bespreken. De meest eenvoudige begroeting is waarschijnlijk de Engelse versie van 'hallo': Hello.

Net als het Nederlands, heeft het Engels ook een versie van 'goed + dagdeel'. In het Nederlands zeg je 'goedemorgen', in het Engels zeg je good morning. Het enige verschil is eigenlijk dat je de woorden niet aan elkaar schrijft.

Dagdeel Begroeting
Morgen = Morning Good morning
Middag = Afternoon Good afternoon
Avond = Evening Good evening
Nacht = Night Good night

Succes met de derde les!

Skill: Food updated 2018-10-25

Uitspraak

In de vorige lessen heb je misschien al gemerkt dat de uitspraak en spelling van bepaalde woorden een beetje tegenstrijdig is:

Oefening baart kunst, dus probeer zoveel mogelijk Engelse films en tv-series te kijken – op zich geen vervelende bezigheid!

Hieronder vind je nog een paar tips m.b.t. de uitspraak van bepaalde medeklinkers – klinkers bespreken we in de volgende les:

Medeklinkers

B

In principe wordt de 'b' bijna net zoals in het Nederlands uitgesproken. Maar als het woord op '-mb' eindigt, hoor je de 'b' niet: comb, numb, bomb.

C

De 'c' wordt, net als in het Nederlands, soms als 'k' en soms als 's' uitgesproken. De k-klank komt het vaakst voor, maar staat de 'c' voor een 'e', 'i' of 'y', dan gebruik je een s-klank: ceiling, cistern, cynic.

-dge

De combinatie '-dge' lijkt nog het meest op '-dj': bridge

G

Wordt meestal als de 'g' in Lady Gaga uitgesproken. Maar voor een 'e', 'i' of 'y', lijkt het meer op een 'j': germ, ginger, gyrate.

-gh

Bij sommige woorden hoor je de combinatie ‘-gh’ niet, zoals in high. Bij andere woorden lijkt het meer op een 'f': laugh.

H

De 'h' in hello lijkt op de Nederlandse 'h'. Maar soms hoor je 'm niet, zoals in hour.

K

De Engelse 'k' klinkt net als de Nederlandse. Maar als er een 'n' achter staat, dan hoor je 'm niet: knife, knight.

L

De 'l' wordt bijna altijd net zoals in het Nederlands uitgesproken. Maar als er een 'k' of een 'f' achter staat, dan hoor je 'm niet: talk, half.

S

Ook de 's' lijkt op zijn Engelse tegenhanger. Hoewel 'ie in sommige gevallen meer als een 'z' wordt uitgesproken: nose, president.

Th

De 'th' kan voor Nederlanders een beetje moeilijk zijn, omdat we deze klank in het Nederlands niet gebruiken. Als je in het Nederlands een 't' uitspreekt, dan plaats je je tong achter je tanden, of iets hoger. Dan adem je uit en ontspan je je tong. De lucht ontsnapt tussen je tanden en je tong en zo maak je een t-geluid. Als je de 'th' uitspreekt, dan plaats je je boventanden op het voorste gedeelte van je tong. Vervolgens adem je uit en ontspan je je tong. Voel je het verschil? Probeer het maar eens. Oefening baart kunst!

X

De 'x' lijkt op de Nederlandse 'x'. Maar als-ie de eerste letter van een woord is, dan spreek je 'm uit als een 'z': xenon

Y

De 'y' kan van alles. Vaak klinkt de 'y' als een 'j': yesterday. Soms klinkt-ie meer als de Nederlandse 'ie': city. Maar de 'y' klinkt ook soms als het Nederlandse woord 'aai': fly.

Skill: Animals updated 2018-10-25

Uitspraak

In de vorige les hebben we naar de uitspraak van een aantal medeklinkers (en medeklinker-combinaties) gekeken. Hieronder vind je een overzicht van alle Engelse klinkers en de manier waarop ze kunnen worden uitgesproken. Helaas bestaan er nog best veel uitzonderingen op deze regels, zowel binnen het Amerikaans Engels als tussen de verschillende accenten. Maar onthoud: practice makes perfect!

A

Het Engelse woord and heb je waarschijnlijk als eens gehoord, en dit is hoe de 'a' doorgaans wordt uitgesproken als deze voor twee medeklinkers staat: land, last. Of voor één medeklinker aan het einde van een woord: tax, can.

Staat de 'a' voor een enkele medeklinker met daarna een klinker, dan wordt deze meestal als 'eej' uitgesproken: late, fake.

Voor een 'l' en na een 'q' of een 'w' wordt de 'a' vaak een beetje als 'aw' uitgesproken; het geluid dat je maakt als je bijvoorbeeld een schattige baby of een puppy ziet: call, wall.

E

De 'e' wordt voor twee medeklinkers doorgaans als de 'e' in 'bed' uitgesproken: desk, bend. Hetzelfde geldt voor de 'e' als deze voor één medeklinker aan het einde van een woord staat: ten, pet.

Als laatste letter van een woord is de 'e' vaak stom, wat betekent dat je 'm niet hoort: late, fake. Is het woord echter heel kort, dan spreek je de 'e' meestal als 'ie' uit: be, he.

I

Net als bij de vorige twee klinkers wordt de 'i' voor twee medeklinkers of voor de laatste enkele medeklinker van een woord hetzelfde uitgesproken; als de 'i' in 'kip': pillow, hit. Maar soms klinkt de 'i' juist meer als 'aai': mild, high.

Voor een enkele medeklinker die niet aan het einde van een woord staat, wordt de 'i' ook als 'aai' uitgesproken: tired, wide.

O

Voor twee medeklinkers wordt de 'o' ofwel als de 'o' in kop uitgesproken: clock. Ofwel als de 'o' in 'mooi': bold.

Voor een enkele medeklinker aan het einde van een woord klinkt de letter als de 'o' in 'kop': hot, rob.

Voor een enkele medeklinker gevolgd door een klinker wordt de 'o' ook als de 'o' in 'mooi' uitgesproken: vote, poke.

U

De 'u' voor twee medeklinkers of voor de laatste enkele medeklinker wordt of als 'oe' uitgesproken: pull, put; of ongeveer zoals de de 'a' in 'kat': duck, jut.

Voor een enkele medeklinker gevolgd door een klinker wordt de 'u' ook als de 'oe' uitgesproken: June, tune.

Skill: Plurals updated 2018-10-25

Meervoud

In Basis 2 hebben we al gezien dat het meervoud normaal gesproken met behulp van de letter 's' gevormd wordt: girlgirls, dog – dogs, horsehorses, hero – heroes, lady – ladies*.

Je ziet dat je echter niet altijd alleen maar een '-s' toevoegt, dus laten we daar hieronder iets verder op in gaan:

  • Eindigt het woord – als het uitgesproken wordt – op een sisklank, dan voeg je in het Engels '-es' toe, of als het woord al op een 'e' eindigt, dan voeg je alleen de '-s' toe: kisskisses, sandwich – sandwiches, horse – horses.

  • Eindigt het woord op een 'o' en wordt deze 'o' voorafgegaan door een medeklinker, dan voeg je ook '-es' toe. Hier bestaat echter een uitzondering op. De meeste leenwoorden krijgen alleen een '-s': potato – potatoes en hero – heroes, maar piano – pianos en kimono – kimonos.

  • Eindigt het woord op een 'y' en wordt deze 'y' voorafgegaan door een medeklinker, dan vervang je de '-y' met '-ies': lady – ladies, cherrycherries.

Naast deze regels zijn er nog tamelijk veel uitzonderingen, waarvan je al een enkele gezien hebt: man – men, woman – women, child – children. Daarnaast zijn er woorden die zowel in het enkelvoud als het meervoud dezelfde vorm hebben. Helaas kunnen we niet alle meervoudsvormen hier bespreken. En waarschijnlijk zou dat ook veel te veel informatie zijn. Houd je dus aan de bovenstaande regels en probeer de uitzonderingen eruit te pikken en uit je hoofd te leren. Succes!

Bezittelijke Voornaamwoorden updated 2018-10-25

Bezittelijk Voornaamwoord

Het Engels heeft de volgende bezittelijke voornaamwoorden:

Nederlands Engels
mijn my
je/jouw/uw your
zijn/haar his/her/its
ons/onze our
jullie your
hun their

Je ziet dat de tweede persoon enkelvoud en meervoud weer dezelfde vorm hebben in het Engels. Let dus op bij oefeningen waar je alle goede antwoorden moet selecteren!


Zelfstandig Bezittelijk Voornaamwoord

Het Engels heeft, net als het Nederlands, ook zelfstandige bezittelijke voornaamwoorden:

Nederlands Engels
de/het mijne mine
de/het jouwe/uwe yours
de/het zijne/hare his/hers/its*
de/het onze ours
- yours*
de/het hunne theirs

* Let op! In tegenstelling tot het Nederlands heeft het Engels wel een zelfstandig bezittelijk voornaamwoord voor de derde persoon enkelvoud onzijdig en de tweede persoon meervoud. Als je die vormen vertaalt, gebruik je dus de van-constructie: Is that coat yours? – Is die jas van jullie?

Veel plezier met deze les!

Objectieve voornaamwoorden updated 2018-10-25

Persoonlijke Voornaamwoorden

In Basis 1 en Basis 2 hebben we de persoonlijke voornaamwoorden ook al besproken, maar in die les hebben we alleen naar de subjectvormen gekeken. Een persoonlijk voornaamwoord kan ook als object gebruikt worden:

  • Subject: Hij kust de kat.
  • Object: De kat kust hem

Zoals je ziet staat het object in de zin niet alleen op een andere plek, maar de vorm verandert ook. Net als in het Engels:

  • Subject: He kisses the cat.
  • Object: The cat kisses him.
Nederlands Engels
mij me
je/jou/u you
hem/haar/het him/her/it
ons us
jullie you
hun/hen/ze them

Ook hier zijn de tweede persoon enkelvoud en meervoud weer hetzelfde. Sterker nog, ze zijn precies hetzelfde als de subjectvormen. Pas dus goed op als je van het Engels naar het Nederlands vertaalt!

Veel succes!

Werkwoorden: t.t. updated 2018-10-25

In Basis 1 en Basis 2 hebben we al eerder naar de werkwoordsvervoeging van de present tense gekeken. Omdat we in deze les veel nieuwe werkwoorden zullen zien, herhalen we nog eens de Engelse (regelmatige) werkwoordsvervoeging:

Persoonlijk Voornaamwoord Vervoeging Voorbeeld
I [infinitief] I drink - Ik drink
You [infinitief] You drink - Jij drinkt
He/She/It [infinitief]+s He/She/It drinks - Hij/Zij/Het drinkt
We [infinitief] We drink - Wij drinken
You [infinitief] You drink - Jullie drinken
They [infinitief] They drink - Zij drinken

We hebben al eerder besproken dat de infinitief die vorm van het werkwoord is die je in een woordenboek vindt. En dat je in de tegenwoordige tijd eigenlijk bijna altijd de infinitief gebruikt; behalve in de derde persoon enkelvoud, dan plaats je er een -s achter.

Er worden twee werkwoorden in deze les gebruikt, die niet helemaal regelmatig zijn: to go en to touch. Bij to go zul je zien dat de derde persoon enkelvoud niet alleen een 's' krijgt, maar ook nog een 'e'; je zet er dus -es achter: Hij gaat – He goes. To touch krijgt ook -es, maar die vorm wordt in deze les niet gebruikt: Hij raakt de kat aan – He touches the cat.

Succes met de present tense!

Vragen updated 2018-10-25

Vragen

Het Engels heeft net als het Nederlands ook vraagwoorden. En deze les draait vooral om de verschillende vraagwoorden en hoe je deze kunt gebruiken. Het gebruik van de vraagwoorden verschilt eigenlijk nauwelijks van het Nederlands. Hoewel je bijvoorbeeld wel zult zien dat de letterlijk vertaling van whose, ‘wiens’ of ‘wier’ is. Woorden die wij in het Nederlands niet (meer) zo vaak gebruiken. Whose cat is that vertalen de meeste mensen niet als ‘Wier kat is dat?’; dat klinkt nogal deftig. Het is veel gewoonlijker om het als ‘Van wie is die kat?’ te vertalen. Maar afgezien daarvan, zijn de Engelse vraagwoorden heel vergelijkbaar met de Nederlandse.

In het Nederlands maak je een vraag meestal door het onderwerp en de persoonsvorm in de zin om te draaien. ‘Jij bent een man’ – ‘Ben jij een man?’. Dit omdraaien heet ook wel inversie, inversion in het Engels. En inversie wordt in het Engels ook toegepast: You are a manAre you a man?

Maar je moet in het Engels ook vaak gebruik maken van het werkwoord to do om een vraag te maken. Je zult dit ook in deze les zien. In het Nederlands zeg je: ‘Jij hebt brood’ – ‘Heb jij brood?’. In het Engels gebruik je hier ‘to do’: You have bread – Do you have bread?.

Dus wanneer gebruik je nou gewoon inversie en wanneer gebruik je nou to do? Dat is gelukkig makkelijk uit te leggen. Als de persoonsvorm een hulpwerkwoord (auxiliary verb) of een vorm van to be is, dan gebruik je gewoon inversie. In alle andere gevallen – als de persoonsvorm dus een hoofdwerkwoord (lexical verb) is – gebruik je to do.

  • De persoonsvorm can is een hulpwerkwoord: You can walkCan you walk? – Je kunt lopen – Kun je lopen?

  • De persoonsvorm is is een vorm van to be: He is sickIs he sick? – Hij is ziek – Is hij ziek?

  • De persoonsvorm is een hoofdwerkwoord: He walksDoes he walk? – Hij loopt – Loopt hij?


Je kunt in het Nederlands ook een vraagwoord in deze constructies gebruiken, bijvoorbeeld: ‘Heb jij brood?’ – ‘Welk brood heb jij?’. Dit gebeurt in het Engels ook: Do you have bread?What bread do you have? En dit zijn de soort zinnen die je vooral in deze les zult zien. Probeer de bovenstaande regels echter ook te leren en kijk of je in de komende lessen al wat vraagzinnen kunt herkennen.

Veel succes!


10 skills with tips and notes

 
6.594