Unit 6 Guidebook: describe animals
KEY PHRASES
Describe animals
De
hond
drinkt
water
.
The dog drinks water.
Het
is
een
muis
.
It is a mouse.
Dat
is
geen
konijn
!
That is not a rabbit!
Het
varken
eet
een
appel
.
The pig eats an apple.
De
hond
heeft
een
staart
.
The dog has a tail.