Streak Hall of Fame
76

sethun

311450 XP#27845 3990#1436.
1503+777#23547
20323#7886

Learning German from Dutch

Level 20 · 16500 XP

Crowns: 215

Skills: 78

Lessons: 363

Lexemes: 2526

Strength: 76%

Created: 2015-05-29
Last Goal: 2021-10-27
Daily Goal: 30 XP
Timezone: UTC+2

Last update: 2021-10-28 14:34:08 GMT+3


98356195

German Skills by StrengthCrownsNameOriginal Order

  • 32 Nodig hebben52 @ 100% 0 •••

    words

    Onzijdige zelfstandige naamwoorden

    Je hebt eerder al geleerd dat lidwoorden en gelijkaardige woorden afhankelijk zijn van het geslacht en het getal van een zelfstandig naamwoord. Voor alle woorden in de volgende tabel zijn de vrouwelijke en meervoudsvormen hetzelfde.

    Nederlands vrouwelijk/meervoud mannelijk
    zij • hij sie er
    de die der
    deze diese dieser
    welk(e) welche welcher
    mijn meine meiner
    jouw deine deiner

    Er is nog een geslacht (onzijdig). Hieronder vind je dezelfde vormen voor onzijdige woorden, samen met de mannelijke tegenhangers ter vergelijking:

    Nederlands mannelijk onzijdig
    hij • het er es
    de/het der das
    deze/dit dieser dieses
    welk(e) welcher welches
    mijn meiner meines
    jouw deiner deines

    Zoals je kan zien eindigen de vrouwelijke vormen (en die in het meervoud) over het algemeen op -e, de mannelijke op -er, en de onzijdige op -es.

    Eigenlijk heb je al enkele onzijdige zelfstandige naamwoorden geleerd:

    • das Bett, das Wasser, das Kind, das Haus, das Sofa, das Telefon, das Zimmer

    Vaak zijn das-woorden het-woorden in het Nederlands, maar dus niet altijd! (das Telefon = de telefoon; das Zimmer = de kamer)

    De onbepaalde lidwoorden (een in het Nederlands) zien er hetzelfde uit voor mannelijk en onzijdig:

    Nederlands vr. mv. m./onz.
    een eine ein
    geen keine keine kein
    mijn meine meine mein
    jouw deine deine dein

    Er zijn dus twee groepen "lidwoordachtige" woorden. De eerste groep krijgt de uitgangen zoals bij het bepaalde lidwoord (de/het), de tweede zoals het onbepaalde lidwoord (een). De beste manier om deze twee groepen uit elkaar te houden, is door veel te oefenen!

    Meisjes zijn geen dingen!!

    Over het algemeen is het grammaticaal geslacht voor personen hetzelfde als het natuurlijke geslacht. Voor dieren en voorwerpen geldt dit niet.

    Zoals eerder al vermeld werd, zijn alle woorden op -chen altijd onzijdig. In het Nederlands is dit net hetzelfde! Alle verkleinwoorden (het kindje, het boompje, het meisje, het kaboutertje) zijn het-woorden en dus ook onzijdig.

    • das Mädchen (neuter)

    Met -chen worden dus verkleinwoorden gevormd. Magd (meid) was lang geleden het normale woord voor jonge vrouw, dus Mädchen betekent letterlijk jong vrouwtje, of gewoon meisje.

    man

    Het voornaamwoord man werkt zoals het Nederlandse men:

    • Man kann hier tanzen. (Men kan hier dansen.)

    In vlottere vertalingen wordt men vaak vervangen door je of ze naargelang de context. (Je kan hier dansen.) De je of ze verwijst dan niet naar een specifiek persoon, maar wijst dan op iets dat geldt in het algemeen.

    Net als in het Nederlands volgt het de vervoeging van er/sie (hij/zij):

    • Man braucht ein Ticket. (Men heeft een ticket nodig.)

    Natuurlijk verwijst man niet alleen naar mannen. (Mann ≠ man!)

  • 32 Herkomst51 @ 100% 0 •••

    words

    Werkwoordsuitgangen

    Nu ken je alle uitgangen van regelmatige werkwoorden in het enkelvoud.

    Nederlands Uitgang Voorbeeld
    Ik -e ich singe
    Jij -st du singst
    Hij/Zij -t er/sie singt

    Zoals in het Nederlands is het werkwoord zijn heel onregelmatig:

    Nederlands Duits
    Ik ben ich bin
    Jij bent du bist
    Hij/Zij is sie/er ist

    Onthoud, oefening baart kunst!

    Lidwoorden

    Zoals je waarschijnlijk al doorhebt, is het lidwoord in het Duits net ietsje moeilijker dan in het Nederlands. Het geslacht is in het Duits veel meer van belang, want in het Nederlands wordt er nog nauwelijks een onderscheid gemaakt tussen mannelijke en vrouwelijke woorden (krijgen allebei "de"). Dit woordgeslacht is niet per se het echte, biologische "geslacht" van iets, het is gewoon een manier om de zelfstandige naamwoorden op te delen.

    Nederlands vrouwelijk meervoud mannelijk
    zij/zij/hij sie sie er
    de/het die die der
    deze/dit diese diese dieser
    welk welche welche welcher
    mijn meine meine meiner
    jouw deine deine deiner

    Vergelijk deze uitgangen even met die van ein en soortgelijke woorden:

    Nederlands vrouwelijk meervoud mannelijk/onzijdig
    een eine ein
    mijn meine meine mein
    jouw deine deine dein
    geen keine keine kein

    Dit is verkeerd! Het moet "die Name" zijn!!

    We hebben je eerder verteld dat "woorden voor dingen" vrouwelijk (die) zijn als ze op -e eindigen:

    • die Lampe, die Rose, die Gitarre, die Garage

    Dit geldt echter niet noodzakelijk voor abstracte concepten, mensen, of dieren. Deze woorden kunnen zeker ook iets anders dan vrouwelijk zijn, ook al eindigen ze op -e.

    Junge (jongen) en Chinese (Chinees) zijn mannelijk. De reden hiervoor is heel simpel: De mensen waarnaar de woorden verwijzen zijn echt mannelijk!

    • Zelfstandige naamwoorden die naar personen verwijzen en op -e eindigen zijn vaak mannelijk

    Voor abstracte concepten (dus geen voorwerpen en geen mensen) is het geslacht veel minder voorspelbaar als het woord op -e eindigt: Name is mannelijk, maar Ende (einde) is onzijdig.

    Vaak overlapt dit met het Nederlands: het-woorden zijn heel vaak das-woorden in het Duits, en de-woorden zijn heel vaak der-woorden of die-woorden, maar zeker niet altijd!

    Fouten melden

    Ja, wij kunnen zeker ook fouten maken! Als je er eentje vindt, rapporteer het alsjeblieft. Gebruik hiervoor het "vlaggetje" onderaan je scherm bij een oefening. Als je een fout enkel meldt in de zinsdiscussies, is het mogelijk dat wij, de mensen die aan de cursus werken, je bericht niet zullen zien.

    Gelieve ook eerst nog eens te controleren wat je instuurt. We krijgen dagelijks letterlijk honderden meldingen. Bij meer dan 99% van die berichten zit er geen fout in de originele zin. We zijn ook maar vrijwilligers, dus hoe minder tijd we moeten steken in "valse" meldingen, hoe sneller we echt werk kunnen doen :)

    Sondern vs. aber

    Denk bij sondern aan niet A, maar B:

    • Das ist kein Mann, sondern eine Frau. (Dat is geen man, maar een vrouw.)
    • Ich komme nicht aus Japan, sondern aus China. Ik kom niet uit Japan, maar uit China.)

    Gebruik in een andere context aber:

    • Ich komme aus China, aber ich lebe in Japan. (Ik kom uit China, maar ik woon in Japan.)
    • Ich komme nicht aus China, aber ich spreche Chinesisch. (Ik kom niet uit China, maar ik spreek Chinese.)

    Chinezen en Chinesen

    der ChinesE = de ChinEES (mannelijke mens uit China)

    die ChinesIN = de ChinESE (vrouwelijke mens uit China)

    die ChinesEN = de ChineZen (mannelijke mensen uit China)

    die ChinesINNEN = de ChineSen (vrouwelijke mensen uit China)

  • 32 Meer41 @ 100% 0 •••

    words

    Meervoud

    Zoals al eerder vermeld werd, zijn meervoudsvormen in het Duits nogal onregelmatig. Hier zijn er enkele woorden die je in deze skill zal leren:

    enkelvoud meervoud
    eine Lampe Lampen
    eine Tochter Töchter
    ein Bett Betten
    ein Sofa Sofas
    ein Stuhl Stühle
    ein Computer Computer

    Zoals je ziet is het soms heel simpel:

    • Alle zelfstandige naamwoorden die op -e eindigen, eindigen in het meervoud op -en.

    Soms verandert de klinker een beetje (denk aan "stad/steden").

    Sommige zelfstandige naamwoorden (die meestal op -er eindigen) blijven hetzelfde in het meervoud. Bij deze woorden moet je vaak naar de context kijken (bijvoorbeeld het werkwoord) om te weten of het woord in het enkelvoud of het meervoud staat.

    • Das ist mein Computer. (Dat is mijn computer.)
    • Das sind meine Computer. (Dat zijn mijn computers.)
  • 32 Ik33 @ 100% 0 •••

    words

    Werkwoordsuitgangen

    In de skill Jij, heb je geleerd dat na du een werkwoord altijd op -st eindigt:

    • Du bist. (Jij bent.)
    • Du singst. (Jij zingt.)

    Bij ich (ik) krijgen werkwoorden doorgaans een -e als uitgang:

    • Ich singe. (Ik zing.)
    • Ich lerne. (Ik leer.)

    Dit is niet volledig regelmatig, maar geldt wel voor de meeste werkwoorden. Probeer deze werkwoordsuitgangen goed in te oefenen, je Duits zal een beetje raar klinken als je dit niet doet. :)

    Sport machen

    In het Nederlands kan je sporten, maar in het Duits bestaat dit werkwoord niet. Men zegt Sport machen.

    Ich mache Sport. (Ik sport. / Ik doe sport.)

  • 32 Jij32 @ 100% 0 •••

    words

    Werkwoordsuitgangen

    In het Nederlands krijgen werkwoorden een andere uitgang afhankelijk van het onderwerp:

    • Ik werk. Jij werkt. Hij werkt. Wij werken.

    In het Duits veranderen de uitgangen iets vaker dan in het Nederlands. Voor du (jij/je), is deze uitgang voor alle werkwoorden hetzelfde. Werkwoorden die volgen op du, krijgen altijd de uitgang -st:

    • Du bist. Du hast. Du kommst.

    Du heißt ziet eruit als een uitzondering, maar dat is het niet. Die rare, typisch Duitse ß is ook een s-klank: op een ß volgt er nooit een -s-.

    Ja/nee-vragen

    Vergelijk deze twee zinnen in het Nederlands:

    1 2 eind
    Je bent oud.
    Ben je oud?

    In het Nederlands verliest het werkwoord de uitgang -t bij een vraag met "jij of je" als onderwerp.

    In het Duits is dit niet het geval:

    1 2 eind
    Du bist alt.
    Bist du alt?
    Du trinkst Kaffee.
    Trinkst du Kaffee?

    Wie, du bist in England?

    "Wie" betekent letterlijk "hoe", maar als het aan het begin van een zin staat en door een komma wordt gevolgd, dan wordt ermee verrassing of ongeloof betuigd. In deze context gebruikt men in het Nederlands "wat".

    In het Duits kan je natuurlijk ook "was" gebruiken.

  • 32 Thuis22 @ 100% 0 •••

    words

    Woordgeslacht

    Zoals in de vorige skill al vermeld werd, is het woordgeslacht in het Duits iets belangrijker dan in het Nederlands. In het Nederlands is het verschil tussen mannelijke en vrouwelijke woorden (de-woorden) meestal niet meer zichtbaar.

    • de vrouw — vrouwelijk (zij)
    • de man — mannelijk (hij)
    • het huis — onzijdig (het)

    In het Duits is dit wel het geval:

    • die Frau — vrouwelijk (sie)
    • der Mann — mannelijk (er)

    Vaak kan je uit het einde van het woord het geslacht afleiden:

    • Gitarre (gitaar) — vrouwelijk (die)
    • Computer (computer) — mannelijk (der)
    • Mädchen (meisje) — onzijdig (das)

    Voorwerpen (dus geen levende wezens of abstracte ideeën) die op -e eindigen zijn bijna altijd vrouwelijk (die):

    • Rose, Gitarre, Toilette, Lampe, …

    Zelfstandige naamwoorden die op -er eindigen zijn vaak mannelijk (der):

    • Computer, Videorekorder, …

    Zelfstandig naamwoorden die op -chen eindigen zijn verkleinwoorden en zijn, net als in het Nederlands, onzijdig (das).

    Zo zijn er nog veel patronen die we later gaan beschrijven.

    Voor de meeste woorden zal je het geslacht van buiten moeten leren omdat het niet altijd even zichtbaar is.

    • Tisch, Stuhl — mannelijk (der)
    • Haus, Bett, Sofa, Licht — onzijdig (das)

    Lidwoorden

    In het Nederlands, hebben we een, en de en het.

    Het Duits heeft een aantal meer lidwoorden, die veranderen naargelang de context.

    Vrouwelijk en meervoud

    Vrouwelijke zelfstandige naamwoorden krijgen eine voor "een":

    • Das ist eine Lampe! (Dat is een lamp!)

    Bezittelijke voornaamwoorden ("mijn, jouw, …") en kein (geen) hebben dezelfde uitgangen:

    • Das ist meine Lampe! (Dat is mijn lamp!)
    • Das ist deine Lampe. (Dat is jouw lamp.)
    • Das ist keine Lampe! (Dat is geen lamp!)

    In plaats van "de" of "het" krijgen vrouwelijke woorden "die" in het Duits:

    • Wer ist die Frau? (Wie is de vrouw?)
    • Die Rose ist hier. (De roos is hier.)

    De meervoudsvormen lijken vaak op de vrouwelijke:

    • Die Rosen sind hier. (De rozen zijn hier.)
    • Das sind meine Rosen! (Dat zijn mijn rozen!)
    • Das sind keine Sofas! (Dat zijn geen sofa's!)

    Ein

    De twee andere geslachten hebben hetzelfde onbepaalde lidwoord ("een"): ein.

    Ook hier geldt dat bezittelijke voornaamwoorden ("mijn, jouw, …") en kein (geen) dezelfde uitgangen hebben:

    • Das ist ein Computer. (Dat is een computer.)
    • Das ist mein Computer! (Dat is mijn computer!)
    • Hier ist dein Bett. (Hier is jouw bed.)
    • Das ist kein Sofa! (Dat is geen sofa!)

    In het meervoud zijn, net als in het Nederlands, alle geslachten hetzelfde:

    • Hier sind die Rosen. (Hier zijn de rozen.)
    • Hier sind die Sofas. (Hier zijn de sofa's.)

    Overzicht

    Hier heb je een snel overzicht van alle vormen die je in deze skill geleerd hebt:

    Nederlands vrouwelijk meervoud mannelijk & onzijdig
    een eine ein
    mijn meine meine mein
    jouw deine deine dein
    geen keine keine kein

    Uitspraak

    De uitspraak van het Duits is redelijk vanzelfsprekend: over het algemeen wordt elke letter altijd op dezelfde manier uitgesproken.

    Sommige letters klinken wel helemaal anders dan in het Nederlands. We zullen je hieraan over heel de cursus herinneren; probeer nu gewoon je best te doen om na te zeggen wat je hoort.

    Leenwoorden (uit het Frans of het Engels) klinken soms zoals in de oorspronkelijke taal:

    • Computer (klinkt zoals in het Engels)
    • Garage (klinkt zoals in het Frans)

    Speciale tekens

    Ondertussen ben je al enkele speciale tekens tegengekomen die we in het Nederlands niet hebben.

    • ä ö ü — Dit zijn klinkers die niet zoals a o u klinken. Ze worden "umlauten" genoemd. Bij gebrek aan umlauten op je toetsenbord (en bij Nederlandse en Belgische toetsenborden is dit niet het geval) wordt de umlaut vervangen door een e: "ae oe ue".

    • ß — dit is geen B, maar eerder een speciale S. Een naam hiervoor is de "es-zett". In Zwitserland wordt in de plaats "ss" geschreven.

  • 32 Hallo12 @ 100% 0 •••

    words

    Welkom!

    Tips voor beginners

    Met deze tips zullen we je een handje helpen terwijl je onze cursus volgt. De inhoud is zo ontworpen dat je de Duitse taal kan ontdekken zonder te veel te focussen op pure grammatica. Als je eventjes de kluts kwijt bent, kan je altijd deze tips bekijken als extra uitleg.

    Spelen gaat voor! Oefening baart kunst, en dat geldt zeker ook bij het leren van talen.

    Als je vragen hebt over een specifieke zin, kan je deze stellen in de zinsdiscussies. Het kan zijn dat je vraagt al eerder beantwoord is, of je kan een nieuwe vraag stellen.

    De "bubbels" die je ziet op de hoofdpagina zijn vaardigheden (skills in het Engels), de hele cursus wordt een boom (tree in het Engels) genoemd. Elke vaardigheid wordt onderverdeeld in enkele lessen.

    Het allerbelangrijkste is dat je je vermaakt en plezier hebt! Met deze cursus kan je de Duitse taal op een speelvolle manier ontdekken. Maak je dus niet te druk om een moeilijk woordje, bij veel oefening zal alles op zijn plaats vallen.

    Wat je in deze skill leert

    Na het afwerken van deze skill weet je dat:

    • Duits heel erg op het Nederlands lijkt.

    • Het werkwoord voor zijn (sein) net als in het Nederlands onregelmatig is.

    • Duitse zelfstandige naamwoorden altijd met een hoofdletter worden geschreven.

    • Duitse zelfstandige naamwoorden geslachten hebben. In deze skill zal je enkel "vrouwelijke" zelfstandige naamwoorden leren. Onthoud dat je later ook woorden met een ander woordgeslacht zal leren (mannelijk of onzijdig).

    • Wacht wacht wacht, waarom is "Katze" altijd vrouwelijk? Mijn kat is een kater!Katze is die (vrouwelijk) omdat het woord op -e eindigt. In de volgende skill krijg je hier wat meer uitleg bij!

  • 41 Familie82 @ 100% 0 •••

    words

    Modale werkwoorden: Meervoud

    In de vorige skill heb je twee modale werkwoorden geleerd:

    ich kann mag
    du kannst magst
    er/sie kann mag

    In het meervoud krijgen deze werkwoorden regelmatige uitgangen. De klinker in de stam is wel vaak anders:

    wir können mögen
    sie können mögen

    Infinitieven, enkele meervoudsvormen

    Net als in het Nederlands zijn de infinitief, de wir-vorm en de sie-vorm (in het meervoud) voor regelmatige werkwoorden hetzelfde; -en.

    leren rijden hebben
    infinitief lernen fahren haben
    wir lernen fahren haben
    sie lernen fahren haben

    Hieronder vind je een kleine herhaling van de vormen in het enkelvoud:

    leren rijden hebben
    ich lerne fahre habe
    du lernst fährst hast
    er/sie/es lernt fährt hat

    Bezittelijke voornaamwoorden

    Wat je al kent

    In de vorige lessen heb je al geleerd hoe je "mijn, jouw, zijn, haar & hun" zegt in het Duits:

    NL vr./mv. man. Nom./onz. man. Acc.
    mijn meine mein meinen
    jouw deine dein deinen
    zijn seine sein seinen
    haar/hun ihre ihr ihren

    De uitgangen zijn hetzelfde voor ein & kein:

    NL vr./mv. man. Nom./onz. man. Acc.
    een eine ein einen
    geen keine kein keinen

    Als je dit een beetje moeilijk vindt, gewoon blijven oefenen! De vorige skills herbekijken kan zeker geen kwaad. :)

    Nu in het meervoud!

    In deze skill leer je de Duitse woorden voor "ons/onze" en "jullie":

    NL vr./mv. man. nom./onz. man. Acc.
    ons unsere unser unseren
    jullie eure euer euren
    hun ihre ihr ihren

    Onthoud dat "euer" een "e" kwijtraakt wanneer het een uitgang krijgt.

    Getallen: 1-12

    In deze en de vorige skills ben je de getallen van 1 tot 12 tegengekomen:

    1 eins 7 sieben
    2 zwei 8 acht
    3 drei 9 neun
    4 vier 10 zehn
    5 fünf 11 elf
    6 sechs 12 zwölf

    Deze getallen veranderen nooit van vorm, behalve één. Eins wordt enkel gebruikt als er niets op volgt:

    • Um eins schwimme ich. (Om één uur zwem ik.)
    • Um ein Uhr schwimme ich. (Om één uur zwem ik.)
    • Ich habe eine Tochter. (Ik heb één dochter.)
  • 41 Broers en Zussen71 @ 100% 0 •••

    words

    Modale werkwoorden

    Modale werkwoorden hebben simpelere uitgangen.

    In het Nederlands gebruik je sommige werkwoorden meestal in combinatie met een infinitief:

    • Hij kan zwemmen. Ik moet slapen.

    Duits is heel gelijkaardig:

    • Er kann schwimmen. Ich muss schlafen.

    Heb je er ooit al op gelet dat er geen -t (zoals in hij werkt) zit in hij kan? Ook in het Duits zijn de eerste en derde persoon hetzelfde voor modale werkwoorden:

    persoon modaal ww ander ww
    ich kann singe
    du kannst singst
    er/sie kann singt

    Mögen vs. machen

    Mögen (leuk/lekker vinden) is geen normaal modaal werkwoord. Het kan enkel bij zelfstandige naamwoorden (of voornaamwoorden) gebruikt worden:

    • Ich mag Pizza. (Ik vind pizza lekker.)
    • Er mag es! (Hij vindt het leuk!)

    Mögen in het enkelvoud:

    ich mag
    du magst
    er / sie mag

    Machen is een normaal werkwoord. Het betekent maken.

    • Ich mache Pizza. (Ik maak pizza.)

    Het wordt echter ook gebruikt waar we in het Nederlands doen gebruiken:

    • Das mache ich nicht! ("Dat doe ik niet!")

    Verwar deze twee dus niet:

    • Ich mache Pizza! (Ik maak pizza!)
    • Ich mag Pizza! (Ik vind pizza lekker!)

    Helemaal achteraan!

    De woordvolgorde van het Duits lijkt sterk op die van het Nederlands, maar er zijn toch enkele dingen waar je op moet letten.

    De Tangconstructie:

    • De persoonsvorm ("ich singe, du singst, …") komt op de plaats waar ze ook in het Nederlands staat.
    • De "rest" van het werkwoord komt altijd helemaal achteraan in de zin.
    • De rest van de zin komt tussen die twee werkwoorden/werwoordsdelen.
    1 2 einde
    Ich singe nicht .
    Ich kann nicht singen.
    Ich kann am Montag nicht singen.

    "Ich kan nicht singen am Montag." klopt dus niet, hoewel we deze woordvolgorde in het Nederlands wel gebruiken.

    Naamvallen! Nominatief & Accusatief

    Mij & Jou

    In het Nederlands veranderen persoonlijke voornaamwoorden soms:

    • Hij ziet haar. Zij ziet hem.

    Dit is een overblijfsel van een "naamvalsysteem" dat we lang geleden ook in het Nederlands hadden.

    In het Duits is het naamvalsysteem er wel nog! Kijk eens naar de volgende tabel:

    nominative accusative
    ich mich
    du dich

    De nominatief en de accusatief zijn twee van deze "naamvallen".

    De nominatief wordt gebruikt voor het onderwerp van een zin.

    De accusatief heeft een aantal functies. Hier wordt het gebruikt als het lijdend voorwerp van een zin:

    • Ich sehe dich. Du siehst mich. (Ik zie jou. Jij ziet mij.)

    Sommige voorzetsels hebben ook een accusatief nodig:

    • Ist der Tee für mich? (Is de thee voor mij?)

    Accusatief: andere vormen

    Er zijn nog andere woorden die veranderen als ze in de accusatief staan. Het goede nieuws is dat dit enkel gebeurt voor mannelijke (enkelvoudige) woorden.

    Dit betekent dat, zolang een woord niet mannelijk is en in het enkelvoud staat, de nominatief en de accusatief hetzelfde zullen zijn.

    • Eine Frau hat eine Katze. (Een vrouw heeft een kat.)
    • Ein Kind hat ein Fahrrad. (Een kind heeft een fiets.)
    • Die Pizza ist für die Frau. (De pizza is voor de vrouw.)

    Voor mannelijk enkelvoud is de verandering heel eenvoudig. Voeg overal gewoon een -en toe:

    • Ein Mann hat einen Computer. (Een man heeft een computer.)
    • Ich habe keinen Computer. (Ik heb geen computer.)
    • Der Euro ist für den Bus. (De euro is voor de bus.)

    Zo heeft de accusatief van er (hij) ook een -n op het einde:

    • Er mag ihn. (Hij vindt hem leuk.)

    Wer (wie) verandert ook in de accusatief: het is dan altijd wen (ongeacht het geslacht):

    • Wer ist das? (Wie is dat?)
    • Wen magst du? (Wie vind jij leuk?)

    Uitgangen van bijvoeglijke naamwoorden

    Op het einde van een zin krijgt een adjectief, net als in het Nederlands, geen uitgang:

    • Die Pizza ist gut. (De pizza is goed.)
    • Das Eis ist gut. (Het ijsje is goed.)

    Voor zelfstandige naamwoorden krijgen ze wel uitgangen die zich aanpassen aan het geslacht en de naamval. Onthoud voor nu de volgende regels:

    Voor vrouwelijk en meervoud, voeg een -e toe:

    • Das ist eine gute Pizza.
    • Ich habe zwei kleine Brüder. (Ik heb twee kleine broertjes.)

    Voor mannelijk/onzijdig, voeg je ook een -e toe wanneer je der of das ziet:

    • Der kleine Bruder (de kleine broer)
    • Das gute Eis (het goede ijsje).

    De uitgang is dus heel vaak een -e, maar vergeet niet dat er ook andere uitgangen zijn.

    Een eerste uitzondering: bij mannelijke woorden in de accusatief (den/einen), eindigt het adjectief ook op -en

    • Ich habe einen kleinen Bruder. (Ik heb een kleine broer.)
    • Ich mag den kleinen Mann. (Ik vind de kleine man leuk.)
  • 41 Reis62 @ 100% 0 •••

    words

    Sterke werkwoorden

    Bij de meeste werkwoorden verandert enkel de uitgang, maar er zijn een paar werkwoorden waarvan de klinker in de stam ook verandert. Dit zijn sterke werkwoorden. Zo heb je sterke werkwoorden met een -a- in de stam. Deze -a- krijgt een umlaut en wordt een -ä- in de tweede en derde persoon enkelvoud.

    rijden sleep
    ich fahre schlafe
    du fährst schläfst
    er/sie fährt schläft

    Daarnaast heb je ook sterke werkwoorden met een lange -eh- in de stam. Deze -eh- wordt dan een -ieh- in de tweede en derde persoon enkelvoud.

    zien
    ich sehe
    du siehst
    er/sie sieht

    Gehen

    In het Nederlands kan je "met het vliegtuig naar China gaan".

    In het Duits kan dit niet; "gehen" kan je enkel te voet doen.

    "Gaan" moet je dus vaak vervangen door een specifieker werkwoord zoals fahren (rijden) of fliegen (vliegen).

    Bezittelijke voornaamwoorden

    Wat je al geleerd hebt

    Je hebt al geleerd dat sommige bezittelijke voornaamwoorden (mijn, jouw), net als de lidwoorden, vaak van uitgang veranderen:

    een mijn jouw
    vr./mv. eine meine deine
    m./onz. ein mein dein
    • Meine Mutter ist hier.
    • Mein Mann ist hier.
    één de/het mijne de/het jouwe
    vr./mv. eine meine deine
    m. einer meiner deiner
    onz. eines meines deines
    • Diese Tasche ist deine. (Deze tas is de jouwe.)
    • Die Lampen sind meine. (Deze lampen zijn de mijne.)
    • Hier ist einer! (Hier is er eentje!)
    • Welcher Computer ist meiner? (Welke computer is de mijne?)
    • Das Handy ist deines. (Dat mobieltje is het jouwe.)

    Nieuw!

    In deze skill kom je er twee nieuwe tegen:

    zijn haar/hun
    m./onz. sein ihr
    vr./mv. seine ihre

    Zoals je ziet zien de vormen voor "haar" en "hun" er hetzelfde uit.

    • mannelijk: sein/ihr Partner. (zijn/haar partner)
    • onzijdig: sein/ihr Handy (zijn/haar mobieltje)
    • vrouwelijk: seine/ihre Mutter (zijn/haar moeder)
    • meervoud: seine/ihre Handys (zijn/haar mobieltjes)
    de/het zijne de/het hare/hunne
    vr./mv. seine ihre
    m. seiner ihrer
    onz. seines ihres
    • Der Computer ist ihrer. (De computer is van haar/hen.)
    • Das Wasser ist seines/ihres. (Het water is van hem/haar/hen.)

    (De mijne, de jouwe, de hare, de hunne, etc. kan heel vaak gewoon vervangen worden door van ..., of die/dat van ... in het Nederlands.)

    Oei, twee geslachten in één woord?

    Geen paniek! Je kent in het Nederlands het verschil tussen "zijn" en "haar".

    Het Nederlandse "zijn" wordt sein, plus uitgang. Het Nederlandse "haar" wordt ihr, plus uitgang.

    De uitgang kies je net als bij "mein" en "dein":

    • meine Mutter, mein Vater (mijn moeder, mijn vader)

    Nach Hause

    Nach Hause betekent naar huis. Later zal je ook "zu Hause" leren, dit betekent "thuis". Fahren en gehen doe je dus nach Hause!

  • 50 Hobby's91 @ 25% 75 •••

    words

    Im vs. ins

    Vertaal voor nu im als "in het/in de", en ins als "naar het":

    • Ich bin im Theater. (Ik ben in het theater.)
    • Ich gehe ins Theater. (Ik ga naar het theater.)

    Later zal je zien dat er een groter patroon is.

    Im wordt ook gebruikt voor maanden en seizoenen:

    • Im Juli, im Winter

    Werkwoorden: jullie

    Tot nu toe heb je deze werkwoordsvormen geleerd:

    leren rijden hebben
    infinitief lernen fahren haben
    ich lerne fahre habe
    du lernst fährst hast
    er/sie/es lernt fährt hat
    wir lernen fahren haben
    sie lernen fahren haben

    Hier leer je de vormen van de laatste persoon, "jullie".

    Deze vorm krijgt altijd een "-t" als uitgang, en de stam zal altijd hetzelfde zijn als in de infinitief. Bekijk eens het verschil met de derde persoon enkelvoud (er-vorm), waar de stam wel soms verandert:

    leren rijden hebben
    infinitief lernen fahren haben
    er/sie/es lernt fährt hat
    ihr (jullie) lernt fahrt habt

    Gern

    Gern werkt net als het Nederlandse "graag", dus niets moeilijks!

    Gern wordt soms ook geschreven/uitgesproken als gerne, deze twee vormen zijn exact hetzelfde.

  • 50 Klagen92 100 •••

    words

    Werkwoorden: zijn

    Net als in het Nederlands is het Duitse werkwoord "sein" (zijn) heel onregelmatig:

    zijn sein
    Ik ich bin
    jij du bist
    hij/zij/het er/sie/es ist
    wij wir sind
    jullie ihr seid
    zij (mv.) sie sind

    Werkwoordsvormen: modale werkwoorden

    Zoals al eerder uitgelegd werd, zijn modale werkwoorden een categorie apart.

    In het enkelvoud hebben ze vaak een andere stamklinker dan in het meervoud.

    De eerste en derde persoon enkelvoud krijgen ook dezelfde vorm.

    persoon kunnen
    ich kann
    du kannst
    er/sie/es kann
    wir können
    ihr könnt
    sie können

    Net als in het Nederlands worden ze vaak gecombineerd met een infinitief.

    • Ich kann nicht schwimmen! (Ik kan niet zwemmen!)

    Imperatief: jullie

    De imperatief is de bevelende vorm. Je gebruikt deze vorm vaak wanneer je instructies geeft. (Ga naar links. Kijk naar buiten! Kom binnen!)

    In het Duits is het belangrijk om te weten tegen wie je het hebt. Praat je tegen één iemand of praat je tegen meerdere mensen? De imperatief in het meervoud is makkelijk:

    • Ihr trinkt kein Bier. (Jullie drinken geen bier.)

    wordt

    • Trinkt kein Bier, Julia und Andreas! (Drink geen bier, Julia en Andreas!)

    Laat ihr vallen en je hebt een meervoudsimperatief.

    Te veel ihr?

    Het woord ihr heeft verschillende functies in het Duits:

    haar ihr Bier (haar bier)
    hun ihr Bier (hun bier)
    jullie ihr trinkt (jullie drinken)

    Maak je hier niet te veel zorgen om, uit de context zal je normaal kunnen afleiden met welke ihr je te maken hebt.

    Finden

    Finden kan gewoon "vinden" betekenen:

    • Ich kann mein Handy nicht finden! (Ik kan mijn mobieltje niet vinden!)

    Het wordt ook gebruikt om meningen te formuleren:

    • Ich finde den Film gut. (Ik vind de film goed.)

    Let erop dat het lijdend voorwerp in beide gevallen in de accusatief staat.

    Tut mir leid!

    Leer tut mir leid als een uitdrukking, de grammatica is nogal onregelmatig. Je zegt het wanneer je spijt of medelijden hebt.

  • 50 Restaurant111 100 •••

    words

    Beleefdheidsvorm

    In het Nederlands gebruiken we "u" als we beleefd willen zijn tegenover mensen die we niet zo goed kennen. In het Duits wordt Sie gebruikt, dezelfde sie als die van de derde persoon meervoud, maar dan met een hoofdletter:

    persoon trinken
    du trinkst
    ihr trinkt
    sie/Sie trinken

    Hoe weet je wat sie/Sie betekent? Sie als vertaling van "u" wordt altijd met een hoofdletter geschreven .

    • Wo sind sie? (Waar zijn ze?)
    • Wo sind Sie? (Waar bent u?)

    Als Sie aan het begin van een zin staat kan je zonder context niet weten of het "zij" of "u" is:

    • Sie sind da! (Ze zijn er! OF U bent er!)

    Wanneer je de beleefdheidsvorm gebruikt, combineer je die vaak met de familienaam van de persoon tegen wie je spreekt, en Herr/Frau:

    • Guten Tag, Herr Müller! (Goedendag, Mr. Müller!)
    • Willkommen, Frau Schmidt! (Welkom, Mevr. Schmidt!)

    Achtervoegsels: -ung

    Zoals al eerder vermeld werd, kan je vaak het geslacht van een woord afleiden aan de hand van de eindletters:

    • -chen (das)
    • -er (vaak der)
    • -e (vaak die)

    Een veelvoorkomende manier om van een werkwoord een zelfstandig naamwoord te maken, is -ung. (vaak -ing in het Nederlands) Deze woorden zijn allemaal vrouwelijk:

    • die Wohnung, die Reservierung, die Rechnung

    Verleden tijd

    Net als in het Nederlands kan je werkwoorden in de tegenwoordige tijd gebruiken om over het heden en de toekomst te praten:

    • Ich esse! (Ik eet!/Ik ben aan het eten!)
    • Ich gehe morgen ins Theater. (Ik ga morgen naar het theater)

    De verleden tijd ziet er, ook net als in het Nederlands, anders uit. Hier leer je hoe je "Ik was" zegt:

    • Ich war gestern im Theater. (Ik was gisteren in het theater.)

    De uitgangen zijn zoals die van de modale werkwoorden (müssen, können, …), maar de stam verandert nooit. Vergelijk hieronder de verleden tijd van sein, en de tegenwoordige tijd van können:

    persoon sein (zijn) können (kunnen)
    ich war kann
    du warst kannst
    er/sie/es war kann
    wir waren können
    ihr wart könnt
    sie/Sie waren können

    Ik ben naar Ierland geweest!

    Veel mensen die Duits leren hebben moeite om te vertellen waar ze naartoe zijn geweest:

    • Ik ben naar Ierland geweest.

    In het Duits is het veel simpeler: gebruik gewoon ich war:

    • Ich war in Irland.
  • 50 Klaslokaal121 100 •••

    words

    -ieren

    Veel werkwoorden eindigen op -ieren. Deze werkwoorden eindigen in het Nederlands vaak op -eren:

    • notieren (noteren)
    • markieren (markeren)
    • telefonieren (telefoneren)

    Deze groep werkwoorden zijn volledig regelmatig: alle werkwoorden in deze groep vervoegen zich op dezelfde manier. Het is belangrijk op te merken dat, ongeacht de lengte van het werkwoord, de nadruk altijd op -ie- ligt:

    • Mein Bruder telefoniert. (Mijn broer telefoneert.)
    • Wir studieren hier. (We studeren hier.)

    Russischlehrer

    In het Nederlands zegt men leraar Russisch. Deze volgorde kan je in het Duits niet gebruiken. Je moet de woorden omdraaien: Russischlehrer

    Mein Russischlehrer ist Deutscher. (Mijn leraar Russisch is Duitser.)

    Meine Russischlehrerin ist Deutsche. (Mijn lerares Russisch is Duitse.)

    Als je het over een leraar hebt die uit Rusland komt zegt men russischer Lehrer.

  • 50 Ontbijt122 100 •••

    words

    Voltooide tijd

    Net als in het Nederlands kan je de tegenwoordige tijd niet gebruiken om over het verleden te praten.

    • Ich habe Suppe gekocht. (Ik heb soep gekookt.)

    De vorming van het voltooid deelwoord is bijna hetzelfde als in het Nederlands: plak ge- vooraan, en (altijd) -t achter de stam. (En nooit een -d.)

    machen kochen
    gemacht gekocht

    Meestal wordt "haben" (hebben) als hulpwerkwoord gebruikt.

    • Ich habe nichts gemacht! (Ik heb niets gedaan!)

    Onthoud dat je, bij een werkwoord in de voltooide tijd, het voltooid deelwoord altijd achteraan moet plaatsen:

    1 2 eind
    Ich habe gestern Suppe gekocht.
    Gestern habe ich Suppe gekocht.

    (Dus vermijd bijvoorbeeld: "Ich habe Suppe gekocht gestern.")

  • 50 Vieren282 100 •••

    words
  • 50 School 1161 100 •••

    words

    Bijvoeglijke naamwoorden: Meervoud + lidwoord

    Hier zijn de uitgangen van de bijvoeglijke naamwoorden in de nominatief die je al geleerd hebt:

    geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
    vr. die alte Frau
    vr. eine alte Frau
    m. der alte Mann
    onz. das kleine Kind
    mv. alte Männer
    • Die alte Frau und der alte Mann tanzen.

    In de accusatief veranderen enkel de mannelijke woorden:

    geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
    m. den alten Mann
    m. einen alten Mann
    • Ich sehe einen alten Mann.

    Bijvoeglijke naamwoorden in de datief zullen ook altijd (in de zinnen die je nu zal krijgen) eindigen op -en:

    geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
    vr. der alten Frau
    vr. einer alten Frau
    m./onz. dem kleinen Mann/Kind
    m./onz. einem kleinen Mann/Kind
    mv. den alten Männern
    mv. alten Männern

    In de latere skills zal je dit systeem vervolledigen.

    Hier leer je dat, wanneer je een lidwoord in het meervoud toevoegt (nominatief of accusatief), je ook een -n moet toevoegen aan het bijvoeglijk naamwoord:

    lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
    alte Hunde
    die alten Hunde
    meine alten Hunde
    keine alten Hunde
    welche alten Hunde?
    diese alten Hunde

    Behalve bijvoeglijke naamwoorden, geldt hetzelfde ook voor soortgelijke woorden (meine, keine, welche, diese, etc.).

    Voltooid deelwoord: sterke werkwoorden

    Tot nu toe heb je geleerd dat voltooide deelwoorden:

    • normaal op -t eindigen
    • normaal met ge- beginnen
    • maar werkwoorden op -ieren geen ge- krijgen
    • werkwoorden die met be-, ver-, zer- beginnen, ook geen ge- krijgen

    • kaufen, gekauft

    • verkaufen, verkauft
    • telefonieren, telefoniert

    De meeste werkwoorden werken zo. Maar net als in het Nederlands is er nog een andere groep (vaak veel voorkomende) werkwoorden waarbij het voltooid deelwoord er iets anders uitziet. Deze werkwoorden heten sterke werkwoorden.

    Hun voltooid deelwoord

    • eindigt op -en
    • kan een klankverandering (of een andere verandering) in de werkwoordsstam krijgen.

    • fahren > gefahren, schlafen > geschlafen

    • schwimmen > geschwommen, fliegen > geflogen

    Anders gedragen ze zich net als de andere werkwoorden: als de eerste lettergreep benadrukt is, valt de ge- weg:

    • vergessen > vergessen (vergeten)
  • 50 Meubels162 100 •••

    words

    Locatie

    Zinnen zoals de volgende heb je al gezien:

    • Ich gehe ins Kino. (Ik ga naar de cinema.)
    • Ich bin im Kino. (Ik ben in de cinema.)

    Bij een aantal voorzetsels kan er dus zowel een accusatief als een datief staan. De accusatief duidt een verandering van plaats aan, en de datief duidt aan dat de locatie hetzelfde blijft. Deze voorzetsels zijn wisselvoorzetsels:

    • in, auf, unter, über, an, neben, vor, hinter, zwischen

    In deze skill zal je enkel zinnen krijgen waar de locatie niet verandert (dus de voorzetsels hierboven + datief). In de volgende skill zal je ook zinnen krijgen met een wisselvoorzetsel met een accusatief.

  • 50 Formulier243 100 •••

    words
  • 50 Ziek242 100 •••

    words
  • 50 Kantoor182 100 •••

    words

    Onregelmatige voltooide deelwoorden

    In deze skill kom je de volgende onregelmatige voltooide deelwoorden tegen:

    Infinitief Voltooid deelwoord NL
    werden geworden geworden
    sein gewesen geweest
  • 50 Weer181 100 •••

    words

    Vormittag

    Let op! Voor Nederlanders is het Duitse woord Vormittag een valse vriend. Daarmee bedoelen de Duitsers de tijd tussen 9 en 12 uur 's ochtends. In Nederland zou je dus ochtend en niet voormiddag zeggen.

    Belgen kunnen gewoon voormiddag zeggen, omdat het in België net zoals in Duitsland wordt gebruikt.

    Werden

    Het Duitse hulpwerkwoord werden heeft verschillende functies.

    Wanneer er een zelfstandig of bijvoeglijk naamwoord op volgt, komt het overeen met het Nederlandse "worden":

    • Ich werde müde! (Ik word moe!)
    • Er wird Vater. (Hij wordt vader.)

    De vormen van werden volgen ongeveer het patroon van de sterke werkwoorden (essen, fahren, …):

    • in de tweede en derde persoon enkelvoud verandert de klinker
    • maar de derde persoon enkelvoud heeft een onregelmatige uitgang (geen -t)
    werden
    ich werde
    du wirst
    er wird
    wir werden
    ihr werdet
    sie/Sie werden
  • 50 Werk252 100 •••

    words
  • 50 Wonen251 100 •••

    words

    Hoog, hoger!

    Hoch is een van de weinige onregelmatige adjectiven in het Duits:

    • Das Haus ist hoch.
    • Mein Haus ist höher.
    • Sein Haus ist am höchsten.

    Hoch verandert ook wanneer het een uitgang krijgt:

    • Diese Stadt hat hohe Häuser.
  • 50 Dierentuin221 100 •••

    words

    Berliner

    Berliner en Kölner zijn onveranderlijke bijvoeglijke naamwoorden, ze behouden dus altijd dezelfde vorm. Onveranderlijke bijvoeglijke naamwoorden verwijzen meestal naar steden en eindigen op -er. Ze worden ook, in tegenstelling tot normale bijvoeglijke naamwoorden, met een hoofdletter geschreven.

    Duits Nederlands
    der Kölner Zoo de Keulse dierentuin
    die Berliner Mauer de Berlijnse Muur
    der Wiener Walzer de Weense wals
    onveranderlijk normaal
    Das ist der Kölner Zoo der schöne Zoo
    Ich besuche den Kölner Zoo den schönen Zoo
    Ich bin im Kölner Zoo im schönen Zoo
  • 50 Park222 100 •••

    words
  • 50 Kleren191 100 •••

    words

    Herhaling bijvoeglijke naamwoorden

    Je hebt nu alle uitgangen geleerd voor bijvoeglijke naamwoorden in de drie belangrijkste naamvallen: de nominatief, accusatief en datief.

    Zoals in eerdere skills al beschreven werd, is de uitgang na "das, der, die & eine" een -e:

    geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
    vr. die alte Frau
    vr. eine alte Frau
    m. der alte Mann
    onz. das kleine Kind
    mv. alte Männer

    Je hebt ook geleerd dat bij onzijdige woorden in de nominatief en de accusatief, ofwel het lidwoord, ofwel het bijvoeglijk naamwoord (maar nooit allebei!) een -s als uitgang heeft:

    geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
    onz. das kleine Kind
    onz. ein kleines Kind

    Dezelfde regel geldt voor mannelijke woorden in de nominatief. Ofwel het lidwoord, ofwel het bijvoeglijk naamwoord eindigt op -r:

    geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
    m. der alte Mann
    m. ein alter Mann

    De nominatief en de accusatief zijn hetzelfde voor het onzijdig, vrouwelijk, en meervoud.

    Bij de mannelijke accusatief krijgen zowel het lidwoord als het bijvoeglijk naamwoord -en als uitgang:

    geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
    m. den alten Mann
    m. einen alten Mann

    Ten slotte eindigen bijvoeglijke naamwoorden in de datief op -en, ongeacht het geslacht.

  • 50 Mensen192 100 •••

    words

    N-verbuiging

    De meeste zelfstandige naamwoorden hebben twee vormen, enkelvoud en meervoud:

    • der Hund, die Hunde
    • die Katze, die Katzen

    In de datief meervoud krijgen alle zelfstandige naamwoorden die nog niet op een -n eindigen een extra -n:

    • die Hunde, mit den Hunden
    • maar: die Katzen, mit den Katzen
    • meervouden op "-s" zijn uitzonderingen: die Autos, mit den Autos

    In deze skill leer je een speciale groep mannelijke woorden kennen. Deze woorden zullen altijd op de uitgang -en eindigen, behalve in de nominatief enkelvoud (de woordenboekvorm):

    • Der Junge ist nett. Ich kenne einen Jungen.

    In deze groep zitten:

    • bijna alle mannelijke zelfstandige naamwoorden die op een -e eindigen (Junge, Name, Kollege, Türke, …)
    • mannelijke zelfstandige naamwoorden die eindigen op -ist, -ent, en enkele andere uitgangen
    • een kleine groep andere mannelijke zelfstandige naamwoorden.

    Hieronder heb je als voorbeeld de tabel voor der Junge (de jongen):

    Naamval Enkelvoud Meervoud
    Nominatief der Junge die Jungen
    Accusatief den Jungen die Jungen
    Datief dem Jungen den Jungen

    Zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord

    Er is een laatste groep onregelmatige zelfstandige naamwoorden. Dit zijn eigenlijk bijvoeglijke naamwoorden die zelfstandige naamwoorden geworden zijn, maar wel nog verbogen worden als bijvoeglijke naamwoorden. Als je de uitgangen voor bijvoeglijke naamwoorden kent, zijn deze woorden makkelijk te gebruiken:

    Bijvoeglijk naamwoord Zelfstandig naamwoord
    ein deutscher Mann ein Deutscher
    der deutsche Mann der Deutsche
    eine deutsche Frau eine Deutsche
    mit einer deutschen Frau mit einer Deutschen

    In de skill Kleren vind je een overzicht van deze uitgangen.

    In deze skill leer je de volgende zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden:

    Bijvoeglijk naamwoord Zelfstandig naamwoord
    deutsch (Duits) Deutscher (Duitser)
    erwachsen (volwassen) Erwachsener (volwassene)
    verwandt (verwant) Verwandter (familielid)
    bekannt (bekend) Bekannter (bekende)
  • 50 Eten101 100 •••

    words

    Mögen

    Hoewel zelfs sommige Duitsers het niet weten, bestaat het werkwoord möchten niet. De vormen die met möcht- beginnen zijn conjunctiefvormen van mögen. Ze worden gebruikt als je beleefder wil zijn. In het Nederlands gebruiken we wil graag of zou graag.

    • Ich mag Pizza! (Ik vind pizza lekker!)
    • Ich möchte Pizza! (Ik wil graag pizza!)
    persoon mögen (beleefde vorm)
    ich mag möchte
    du magst möchtest
    er/sie/es mag möchte
    wir mögen möchten
    ihr mögt möchtet
    sie mögen möchten

    Op möchten kan er niet alleen een zelfstandig naamwoord volgen, maar ook een werkwoord:

    • Ich möchte schlafen. (Ik wil graag slapen.)
    • Ich möchte Cola trinken. (Ik wil graag cola drinken.)

    Müssen

    Net als bij mögen verandert de klinker van de stam van het modale werkwoord müssen in het enkelvoud:

    persoon müssen
    ich muss
    du musst
    er/sie/es muss
    wir müssen
    ihr müsst
    sie müssen

    Müssen werkt zoals het Nederlandse "moeten".

    • Ich muss schlafen! (Ik moet slapen!)

    Let op! Nicht müssen betekent niet hoeven.

    Ich muss nicht schlafen. (Ik hoef niet te slapen.)

    Zu vs. zum

    Leer zu Hause ("thuis") als een uitdrukking. Bij maaltijden gebruik je zum:

    • Ich esse zum Mittagessen eine Pizza.

    Zu Hause

    In deze skill komt zu Hause (thuis) aan bod. Je hebt al nach Hause (naar huis) geleerd. Ook al kan "zu" in sommige contexten "naar" als vertaling krijgen, betekent zu Hause altijd "thuis", nooit "naar huis".

  • 50 Vrienden131 100 •••

    words

    De derde naamval

    Het Duits telt vier naamvallen. In de vorige lessen heb je de nominatief en de accusatief leren kennen.

    De nominatief wordt gebruikt voor het onderwerp van een zin.

    De accusatief wordt gebruikt voor het lijdend voorwerp van een zin. Ook op sommige voorzetsels volgt er een woord in de accusatief.

    De derde belangrijke naamval is de datief.

    Voornaamwoorden in de datief

    Hieronder zie je de eerste drie persoonlijke voornaamwoorden in de datief die je zal tegenkomen, samen met de vormen in de nominatief en de accusatief:

    Nom. Acc. Dat.
    ich mich mir
    du dich dir
    sie (vr.) sie ihr

    Gebruik

    Net als de accusatief heeft de datief enkele functies.

    Sommige voorzetsels staan met een woord in de datief:

    • mit, zu, aus, von, bei

    • Komm mit mir! (Kom met mij!)

    • Ich gehe zu ihr. (Ik ga naar haar.)

    Een lijdend voorwerp staat normaal in de accusatief:

    • Ich sehe dich. (Ik zie jou.)

    Op sommige werkwoorden volgt er altijd een datief:

    • Ich helfe dir. (Ik help jou.)
    • Ich danke dir. (Ik bedank jou.)

    Sommige werkwoorden kunnen dus tegelijk een lijdend voorwerp in de accusatief en een meewerkend voorwerp in de datief krijgen (in de vertaling kan je vak "aan" gebruiken). Het meewerkend voorwerp is het antwoord op de vraag "aan wie? voor wie?".

    • Ich habe einen Hund. (Ik heb een hond.)
    • Ich gebe dir einen Hund. (Ik geef je een hond./Ik geef een hond aan jou.)

    Komm!

    Net als in het Nederlands wordt het onderwerp niet uitgedrukt bij een gebiedende wijs (bevelzin). Later zal je deze vorm meer in detail leren. Onthoud nu gewoon dat als je "Kom!" wil zeggen, het in het Duits Komm! is (en niet bijvoorbeeld kommst).

  • 50 Winkel132 100 •••

    words

    Datief

    De datief is in sommige opzichten de "makkelijkste naamval".

    Lidwoorden (en soortgelijke woorden) krijgen de volgende uitgangen:

    geslacht uitgang
    vrouwelijk -r
    niet vrouwelijk -m
    meervoud -n

    Persoonlijke voornaamwoorden in de datief

    Je zal de uitgangen van de lidwoorden ook herkennen in enkele persoonlijke voornaamwoorden:

    Nom. Acc. Dat.
    ich mich mir
    du dich dir
    er/es ihn/es ihm
    sie (vr.) sie ihr
    wir uns uns
    ihr euch euch
    sie/Sie sie/Sie ihnen

    Zoals je ziet, gelden hier dezelfde regels: vrouwelijk (sie) wordt ihr, er/es wordt ihm, en sie (meervoud) wordt ihnen.

    Voor wir en ihr (wij/jullie) zijn de vormen in de datief dezelfde vormen als in de accusatief.

    Bijvoeglijke naamwoorden in de datief

    Over het algemeen eindigen bijvoeglijke naamwoorden in de datief altijd op -en, ongeacht het geslacht en getal.

    geslacht bijvoeglijk naamwoord Nederlands
    vr. mit meiner alten Katze met mijn oude kat
    m./onz. mit meinem alten Hund met mijn oude hond
    mv. mit meinen alten Freunden met mijn oude vrienden

    Datief meervoud

    Er is nog iets: bij de datief meervoud, krijgen niet alleen het lidwoord en een bijvoeglijk naamwoord de uitgang -n; zelfs het zelfstandig naamwoord zelf krijgt een extra -n (als er nog geen stond):

    • der Freund, die Freunde (de vriend, de vrienden)
    • mit meinen guten Freunden (met mijn goede vrienden)

    Deze regel geldt niet voor woorden die op -s eindigen.

    Samengetrokken voorzetsels

    Nu kan je begrijpen waarom je bij sommige woorden zur gebruikt, maar bij andere zum. Dit zijn samentrekkingen van "zu + der" en "zu + dem". Vrouwelijke woorden gebruiken zur, andere zum.

    • Ich fahre zum Zoo. (Ik rijd naar de zoo.) > "der Zoo" (m.)
    • Ich fahre zur Oper. (Ik rijd naar de opera.) > "die Oper" (vr.)

    Duits heeft nog enkele samentrekkingen die hierop lijken. Tot nu toe heb je deze geleerd:

    • im (in dem)
    • ins (in das)
  • 50 Gezondheid271 100 •••

    words

    Lebensmittel

    Das Lebensmittel (wordt normaal enkel in het meervoud gebruikt) verwijst naar alles wat gegeten of gedronken kan worden.

    Pommes frites

    Het Frans voor "frieten" is "pommes frites". Het Duits heeft dit overgenomen, en daar wordt het uitgesproken op de Franse manier (dus de -es wordt niet uitgesproken). In het dagelijks leven zal je eerder een kortere vorm gebruiken; ofwel "Pommes" ofwel "Fritten", deze woorden worden op de Duitse manier uitgesproken

    Scheibe

    Die Scheibe (plakje, schijf) wordt meestalf gebruikt voor brood, kaas en worst, maar ook voor ruiten. Gebruik in andere gevallen das Stück (stuk):

    • eine Scheibe Käse (een plakje kaas)
    • ein Stück Fleisch (een stuk vlees)

    Wederkerende werkwoorden

    Veel Europese talen hebben de zogenaamde "reflexieve" of "wederkerende" werkwoorden. Denk aan "Hij wast zich, scheert zich en kamt zich". Dergelijke werkwoorden komen ook in het Duits voor:

    • Er wäscht sich, rasiert sich und kämmt sich.

    Hieronder zie je de wederkerige voornaamwoorden:

    Nom. Acc. Acc. reflexief
    ich mich mich
    du dich dich
    er ihn sich
    es es sich
    sie sie sich
    wir uns uns
    ihr euch euch
    sie/Sie sie/Sie sich

    Ze zijn dus exact hetzelfde als de accusatief van de persoonlijke voornaamwoorden, maar er is een belangrijk verschil: Er, sie, es, sie & Sie gebruiken sich.

    • Er wäscht sich. (Hij wast zich.)
    • Er wäscht ihn. (He wast hem.)

    De wederkerende werkwoorden die je in deze skill leert zijn:

    • sich kümmern um (zorgen voor)
    • sich freuen auf (uitkijken naar)

    Denn

    "Want" is in het Duits denn:

    • Ich möchte schlafen, denn ich bin müde. (Ik wil graag slapen, want ik ben moe.)

    Het werkwoord volgt, net als in het Nederlands met "want", meteen na het onderwerp na denn.

    Krankheit, Gesundheit

    Een veelvoorkomende manier om woorden op te bouwen is -heit of -keit. Deze woorden zijn altijd vrouwelijk.

    • krank, die Krankheit (ziek, de ziekte)
    • gesund, die Gesundheit (gezond, de gezondheid)
  • 50 Toerist272 100 •••

    words
  • 50 Markt202 100 •••

    words

    Jeder

    Het Duitse jeder betekent ieder/elk. Het heeft dezelfde uitgangen als "der, die, das":

    naamval, geslacht de/het elk/ieder
    nom. m. der jeder
    nom/acc. onz. das jedes
    nom./acc. vr. die jede
    acc. m. den jeden
    dat. m./onz. dem jedem
    dat. vr. der jeder

    Tijdsaanduidingen staan in het Duits in de accusatief:

    • Ich gehe jeden Tag schwimmen.
  • 50 Universiteit201 100 •••

    words

    Comparatief

    De comparatief of de vergrotende trap wordt in het Nederlands gevormd door -er toe te voegen aan een bijvoeglijk naamwoord:

    • snel, sneller
    • groot, groter

    Dit is in het Duits ook zo. Let er wel op dat je nog steeds de juiste uitgangen moet toevoegen:

    • schnell, schneller
    • ein schneller Mann, ein schnellerer Hund, eine schnellere Katze (een snelle man, een snellere hond, een snellere kat)

    Korte bijvoeglijke naamwoorden krijgen meestal een umlaut en dus een klankverandering:

    • alt, älter
    • groß, größer
  • 50 Doe het!171 100 •••

    words

    Locatie en verandering van locatie

    In de vorige skill heb je gezien dat wanneer je over een blijvende locatie praat, het voorzetsel in het algemeen met de datief staat:

    • Ich bin im Kino. Die Katze ist unter dem Tisch.

    Het Duits heeft "wisselvoorzetsels":

    • in, auf, unter, über, an, neben, vor, hinter, zwischen

    Deze krijgen altijd een datief als ze een plaats aanduiden. Wanneer ze een verandering van plaats aanduiden, krijgen ze een accusatief!

    • Ich gehe ins Kino. (Ik ga naar de bioscoop.)
    • Die Katze läuft unter den Tisch. (De kat loopt onder de tafel.)

    Dit is een van de moeilijkere aspecten van Duits, maar oefening baart kunst. :)

    Sommige voorzetsels staan altijd met een datief:

    • von, zu, aus

    En sommige voorzetsels staan altijd met een accusatief:

    • durch, gegen, um

    Leer best eerst de voorzetsels die altijd met dezelfde naamval staan. Voor de overige (wissel)voorzetsels moet je dan gewoon denken: "plaatsverandering of niet?".

    Liegen, legen

    Hieronder zie je enkele werkwoordsparen, waarvan telkens een werkwoord een locatie beschrijft, en het andere werkwoord een plaatsverandering (plaatsing) aanduidt:

    locatie plaatsverandering
    liegen legen
    sitzen setzen
    stehen stellen
    hängen hängen
    • Das Buch liegt auf dem Tisch. (Het boek ligt op de tafel.)
    • Ich lege das Buch auf den Tisch. (Ik leg het boek op de tafel.)

    Het werkwoord in de eerste kolom staat met een datief wanneer er wisselvoorzetsels ("in, auf…") gebruikt worden. Die in de tweede kolom staan dan met een accusatief.

    De laatste twee werkwoorden in de tabel zien er hetzelfde uit, maar de voltooide deelwoorden zijn anders:

    locatie plaatsverandering
    gelegen gelegt
    gesessen gesetzt
    gestanden gestellt
    gehangen gehängt

    De werkwoorden die een locatie aanduiden zijn allemaal sterke werkwoorden, en alle werkwoorden waarbij er een plaatsing plaatsvindt zijn zwakke (regelmatige) werkwoorden.

    Uitgangen van bijvoeglijke naamwoorden

    Weet je nog dat de uitgang voor bijvoeglijke naamwoorden na "das, der, die & eine" -e is?

    geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
    vr. die alte Frau
    vr. eine alte Frau
    m. der alte Mann
    onz. das kleine Kind
    mv. alte Männer

    In deze skill leer je de volgende nieuwe uitgang:

    geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
    onz. das kleine Kind
    onz. ein kleines Kind

    De logica is hier dat ofwel het lidwoord, ofwel het bijvoeglijk naamwoord (maar nooit alle twee!) een -s krijgt.

    De uitgangen in de nominatief en de accusatief hetzelfde voor het onzijdig, vrouwelijk en meervoud.

    Gebiedende wijs

    Vergelijk het verschil tussen een stelling en een bevel in het Nederlands:

    • Jij spreekt Duits.
    • Spreek Duits!

    Duits heeft drie verschillende bevelvormen:

    • een vorm die je gebruikt als je tegen één persoon praat (du - jij)
    • een vorm die je gebruikt als je tegen meer dan één persoon praat (ihr - jullie)
    • een beleefdheidsvorm (Sie - u)

    De laatste twee zijn makkelijk te vormen:

    Stelling Bevel
    Ihr kommt in den Garten. Kommt in den Garten!
    Sie kommen in den Garten. Kommen Sie in den Garten!

    Bij ihr moet je gewoon de ihr laten vallen. Bij de beleefdheidsvorm plaats je de Sie na het werkwoord.

    Voor de du-vorm is dit de algemene regel:

    Stelling Bevel
    Du kommst in den Garten. Komm in den Garten!

    De du en de uitgang -st vallen weg.

    Er zijn wel enkele dingen waar je op moet letten:

    • voor onregelmatige werkwoorden, neem je de stam van de du-vorm
    • maar laat je de umlaut vallen (indien aanwezig)
    • als de stam op -t/-d eindigt, wordt er een -e- toegevoegd
    Stelling Bevel Uitleg
    Du trinkst. Trink! Regelmatig
    Du isst. Iss! De infinitief is essen
    Du fährst. Fahr! Zonder umlaut
    Du arbeitest Arbeite! Extra e na -t/-d
  • 50 Feest172 100 •••

    words

    Nog een adjectiefuitgang!

    Zoals je al geleerd hebt, is de uitgang voor bijvoeglijke naamwoorden na "das, der, die & eine" -e:

    geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
    vr. die alte Frau
    vr. eine alte Frau
    m. der alte Mann
    onz. das kleine Kind
    mv. alte Männer

    In de vorige skill heb je ook geleerd dat bij onzijdige woorden ofwel het lidwoord ofwel het bijvoeglijk naamwoord (maar nooit allebei!) een -s als uitgang krijgen:

    geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
    onz. das kleine Kind
    onz. ein kleines Kind

    Voor mannelijke woorden in de nominatief geldt dezelfde regel: ofwel het lidwoord, ofwel het bijvoeglijk naamwoord eindigt op -r

    geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
    m. der alte Mann
    m. ein alter Mann

    De nominatief en de accusatief zijn hetzelfde voor de onzijdige en vrouwelijke vormen, en de vormen in het meervoud.

    Bij de mannelijke accusatief krijgen zowel de lidwoorden als de bijvoeglijke naamwoorden de uitgang -en:

    geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
    m. den alten Mann
    m. einen alten Mann

    Nu ken je alle vormen in de nominatief en de accusatief, en ook de meeste vormen in de datief (die over het algemeen op -en eindigen)!


    Rangtelwoorden

    Rangtelwoorden zijn bijvoeglijke naamwoorden en krijgen dezelfde uitgangen:

    • Ich wohne im fünften Stock. (Ik woon op de vijfde verdieping.)
    • Der fünfte Juni ist ein Montag. (Vijf juni is een maandag.)

    De algemene regel is dat van één tot negentien je een -t- toevoegt tussen het getal en de uitgang:

    2. zweite
    4. vierte
    8. achte
    10. zehnte
    12. zwölfte
    19. neunzehnte

    Vanaf twintig voeg je een -st- toe:

    20. zwanzigste
    42. zweiundvierzigste
    100. hundertste
    1000. tausendste

    Er zijn drie onregelmatige vormen:

    1. erste
    3. dritte
    7. siebte

    In het Duits is het ook de gewoonte om een punt na het getal te plaatsen (42. = zweiundvierzigste) om aan te tonen dat het een rangtelwoord is.

  • 50 Vrije Tijd152 100 •••

    words

    Datief meervoud: altijd "-n"!

    Wist je nog dat lidwoorden, persoonlijke voornaamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden op een -n eindigen in de datief meervoud?

    • mit den alten Autos (met de oude auto's)

    Onthoud ook dat woorden die in het meervoud niet op -n eindigen, ook een extra -n krijgen:

    • der Freund, die Freunde (de vriend, de vrienden)
    • mit meinen alten Freunden (met mijn oude vrienden)

    Zoals je aan "met den Autos" kan zien, geldt deze regel niet voor meervoudsvormen die op -s eindigen.

  • 50 Sport281 100 •••

    words

    Erlauben

    Erlauben betekent "toelaten". Daarop volgt er een datief:

    • Ich erlaube es ihm. (Letterlijk: ik laat het toe aan hem.)
  • 50 Huisdieren211 100 •••

    words

    Fressen vs. essen

    Het normale woord voor eten is essen, maar voor dieren wordt fressen gebruikt.

    • Die Frau isst. Die Katze frisst.

    De vervoeging van beide werkwoorden is hetzelfde:

    persoon essen fressen
    ich esse fresse
    du isst frisst
    er/sie/es isst frisst
    wir essen fressen
    ihr esst fresst
    sie/Sie essen fressen
    volt. dlw. gegessen gefressen

    Natuurlijk vs. grammaticaal geslacht

    Voor dieren is er meestal een algemeen woord met een bepaald grammaticaal geslacht. "Katze" is vrouwelijk, maar dat betekent niet per se dat de "Katze" waat je het over hebt vrouwelijk is!

    • die: Katze, Spinne, Schildkröte, Schlange, Kuh, Maus
    • der: Hamster, Hund, Vogel
    • das: Insekt, Huhn, Tier, Schaf, Schwein, Pferd, Kaninchen

    Er zijn ook speciek mannelijke/vrouwelijke woorden voor een paar van deze dieren, maar deze woorden zullen nu nog niet in de cursus voorkomen.

    Danken

    Net als helfen (helpen) maakt danken deel uit van een kleine groep werkwoorden die altijd met een datief staan:

    • Ich helfe dem Mann.
    • Ich danke dem Mann.

    Je kan het zien als "hulp/dank geben aan" iemand, als dat helpt.

    Angst haben

    In het Duits gebruik je Angst haben als je wil zeggen dat iemand bang is:

    • Ich habe Angst vor Hunden. (Ik ben bang voor honden.)

    Vaak is het nodig om het voorzetsel bij het werkwoord te leren. Vor staat met de datief na Angst haben.

  • 50 Koken212 100 •••

    words

    Töpfe und Pfannen

    Een kookpan noemt men in het Duits der Topf (Plural: die Töpfe) of der Kochtopf (Plural: die Kochtöpfe).

    Een koekenpan noemt men die Pfanne (Plural: die Pfannen) of die Bratpfanne (Plural: die Bratpfannen).

    Een braadpan noemt men in het Duits der Bräter of der Schmortopf.

  • 50 Talen141 100 •••

    words
  • 50 Vakantie142 100 •••

    words

    Voltooid deelwoord zonder ge-

    Werkwoorden die op -ieren eindigen, krijgen geen ge- als voltooid deelwoord:

    • markieren > er hat markiert
    • telefonieren > er hat telefoniert

    Ook werkwoorden die beginnen met de volgende voorvoegsels krijgen geen ge-:

    • be-, er-, ver-, zer-, ent-

    Net als in het Nederlands veranderen voltooide deelwoorden niet afhankelijk van de persoon:

    • Ich habe verkauft. Er hat verkauft. Wir haben verkauft.

    Wie?

    Het Duitse woord voor "Wie?", "Wer?, heeft drie vormen in het Duits en verandert dus afhankelijk van de naamval. Ze hebben dezelfde uitgangen als het mannelijke "der". Dezelfde vormen worden wel gebruikt ongeacht waarnaar het verwijst:

    Naamval wie? de/het (m.)
    Nominatief wer der I
    Accusatief wen den II
    Datief wem dem III

    Een geheugensteuntje: het aantal poten van de laatste letter van elk woord komt mooi overeen met I, II, III :)

    Die Niederlande

    In het Duits wordt "die Niederlande" alleen in het meervoud gebruikt en je kan het lidwoord niet weglaten.

    Men zegt dus "Die Niederlande sind ein schönes Land" (Nederland is een mooi land) en niet "Die Niederlande ist ein schönes Land" of "Niederlande ist ein schönes Land".

    Noorden, zuiden…

    Gebruik Norden, Süden, Osten, Westen wanneer je praat over een plaats in een andere plaats (in het...):

    • Hamburg ist im Norden von Deutschland. (Hamburg is in het noorden van Germany.)

    Gebruik nördlich, südlich, östlich, westlich wanneer je praat over een plaats die buiten de plaats is waarmee je de locatie vergelijkt (ten ... van):

    • Dänemark ist nördlich von Deutschland. (Denemarken is ten noorden van Duitsland.)

    in der Schweiz

    De meeste plaatsnamen krijgen geen lidwoord:

    • Ich bin in Köln. Italien ist schön.

    Wanneer je over een richting praat, gebruik je bij plaatsnamen nach:

    • Ich fahre nach Köln. (Ik ga naar Keulen.)

    Een paar plaatsnamen hebben wel altijd een lidwoord:

    • die Türkei, die Schweiz (vrouwelijk)
    • der Iran, der Irak (mannelijk)
    • die USA, die Philippinen, die Niederlande (meervoud)

    Bij deze landen kan je nach niet gebruiken. Gebruik in de plaats in + accusatief:

    • Ich fahre in die USA. Ich fliege in den Iran.

    Als je praat over de plaats waar iemand of iets zich bevindt, gebruik je de datief:

    • Ich bin in der Schweiz. Ich bin in den USA.

    Je zal meer over het verschil tussen de datief en de accusatief leren in de latere skill "Meubels".

  • 50 Leren262 100 •••

    words
  • 50 Op Reis261 100 •••

    words
  • 50 Bos232 100 •••

    words
  • 50 Café231 100 •••

    words

2020-03-31
0.011

Hallo updated 2021-03-15

Welkom!

Tips voor beginners

Met deze tips zullen we je een handje helpen terwijl je onze cursus volgt. De inhoud is zo ontworpen dat je de Duitse taal kan ontdekken zonder te veel te focussen op pure grammatica. Als je eventjes de kluts kwijt bent, kan je altijd deze tips bekijken als extra uitleg.

Spelen gaat voor! Oefening baart kunst, en dat geldt zeker ook bij het leren van talen.

Als je vragen hebt over een specifieke zin, kan je deze stellen in de zinsdiscussies. Het kan zijn dat je vraagt al eerder beantwoord is, of je kan een nieuwe vraag stellen.

De "bubbels" die je ziet op de hoofdpagina zijn vaardigheden (skills in het Engels), de hele cursus wordt een boom (tree in het Engels) genoemd. Elke vaardigheid wordt onderverdeeld in enkele lessen.

Het allerbelangrijkste is dat je je vermaakt en plezier hebt! Met deze cursus kan je de Duitse taal op een speelvolle manier ontdekken. Maak je dus niet te druk om een moeilijk woordje, bij veel oefening zal alles op zijn plaats vallen.

Wat je in deze skill leert

Na het afwerken van deze skill weet je dat:

  • Duits heel erg op het Nederlands lijkt.

  • Het werkwoord voor zijn (sein) net als in het Nederlands onregelmatig is.

  • Duitse zelfstandige naamwoorden altijd met een hoofdletter worden geschreven.

  • Duitse zelfstandige naamwoorden geslachten hebben. In deze skill zal je enkel "vrouwelijke" zelfstandige naamwoorden leren. Onthoud dat je later ook woorden met een ander woordgeslacht zal leren (mannelijk of onzijdig).

  • Wacht wacht wacht, waarom is "Katze" altijd vrouwelijk? Mijn kat is een kater!Katze is die (vrouwelijk) omdat het woord op -e eindigt. In de volgende skill krijg je hier wat meer uitleg bij!

Thuis updated 2021-03-15

Woordgeslacht

Zoals in de vorige skill al vermeld werd, is het woordgeslacht in het Duits iets belangrijker dan in het Nederlands. In het Nederlands is het verschil tussen mannelijke en vrouwelijke woorden (de-woorden) meestal niet meer zichtbaar.

  • de vrouw — vrouwelijk (zij)
  • de man — mannelijk (hij)
  • het huis — onzijdig (het)

In het Duits is dit wel het geval:

  • die Frau — vrouwelijk (sie)
  • der Mann — mannelijk (er)

Vaak kan je uit het einde van het woord het geslacht afleiden:

  • Gitarre (gitaar) — vrouwelijk (die)
  • Computer (computer) — mannelijk (der)
  • Mädchen (meisje) — onzijdig (das)

Voorwerpen (dus geen levende wezens of abstracte ideeën) die op -e eindigen zijn bijna altijd vrouwelijk (die):

  • Rose, Gitarre, Toilette, Lampe, …

Zelfstandige naamwoorden die op -er eindigen zijn vaak mannelijk (der):

  • Computer, Videorekorder, …

Zelfstandig naamwoorden die op -chen eindigen zijn verkleinwoorden en zijn, net als in het Nederlands, onzijdig (das).

Zo zijn er nog veel patronen die we later gaan beschrijven.

Voor de meeste woorden zal je het geslacht van buiten moeten leren omdat het niet altijd even zichtbaar is.

  • Tisch, Stuhl — mannelijk (der)
  • Haus, Bett, Sofa, Licht — onzijdig (das)

Lidwoorden

In het Nederlands, hebben we een, en de en het.

Het Duits heeft een aantal meer lidwoorden, die veranderen naargelang de context.

Vrouwelijk en meervoud

Vrouwelijke zelfstandige naamwoorden krijgen eine voor "een":

  • Das ist eine Lampe! (Dat is een lamp!)

Bezittelijke voornaamwoorden ("mijn, jouw, …") en kein (geen) hebben dezelfde uitgangen:

  • Das ist meine Lampe! (Dat is mijn lamp!)
  • Das ist deine Lampe. (Dat is jouw lamp.)
  • Das ist keine Lampe! (Dat is geen lamp!)

In plaats van "de" of "het" krijgen vrouwelijke woorden "die" in het Duits:

  • Wer ist die Frau? (Wie is de vrouw?)
  • Die Rose ist hier. (De roos is hier.)

De meervoudsvormen lijken vaak op de vrouwelijke:

  • Die Rosen sind hier. (De rozen zijn hier.)
  • Das sind meine Rosen! (Dat zijn mijn rozen!)
  • Das sind keine Sofas! (Dat zijn geen sofa's!)

Ein

De twee andere geslachten hebben hetzelfde onbepaalde lidwoord ("een"): ein.

Ook hier geldt dat bezittelijke voornaamwoorden ("mijn, jouw, …") en kein (geen) dezelfde uitgangen hebben:

  • Das ist ein Computer. (Dat is een computer.)
  • Das ist mein Computer! (Dat is mijn computer!)
  • Hier ist dein Bett. (Hier is jouw bed.)
  • Das ist kein Sofa! (Dat is geen sofa!)

In het meervoud zijn, net als in het Nederlands, alle geslachten hetzelfde:

  • Hier sind die Rosen. (Hier zijn de rozen.)
  • Hier sind die Sofas. (Hier zijn de sofa's.)

Overzicht

Hier heb je een snel overzicht van alle vormen die je in deze skill geleerd hebt:

Nederlands vrouwelijk meervoud mannelijk & onzijdig
een eine ein
mijn meine meine mein
jouw deine deine dein
geen keine keine kein

Uitspraak

De uitspraak van het Duits is redelijk vanzelfsprekend: over het algemeen wordt elke letter altijd op dezelfde manier uitgesproken.

Sommige letters klinken wel helemaal anders dan in het Nederlands. We zullen je hieraan over heel de cursus herinneren; probeer nu gewoon je best te doen om na te zeggen wat je hoort.

Leenwoorden (uit het Frans of het Engels) klinken soms zoals in de oorspronkelijke taal:

  • Computer (klinkt zoals in het Engels)
  • Garage (klinkt zoals in het Frans)

Speciale tekens

Ondertussen ben je al enkele speciale tekens tegengekomen die we in het Nederlands niet hebben.

  • ä ö ü — Dit zijn klinkers die niet zoals a o u klinken. Ze worden "umlauten" genoemd. Bij gebrek aan umlauten op je toetsenbord (en bij Nederlandse en Belgische toetsenborden is dit niet het geval) wordt de umlaut vervangen door een e: "ae oe ue".

  • ß — dit is geen B, maar eerder een speciale S. Een naam hiervoor is de "es-zett". In Zwitserland wordt in de plaats "ss" geschreven.

Jij updated 2021-03-15

Werkwoordsuitgangen

In het Nederlands krijgen werkwoorden een andere uitgang afhankelijk van het onderwerp:

  • Ik werk. Jij werkt. Hij werkt. Wij werken.

In het Duits veranderen de uitgangen iets vaker dan in het Nederlands. Voor du (jij/je), is deze uitgang voor alle werkwoorden hetzelfde. Werkwoorden die volgen op du, krijgen altijd de uitgang -st:

  • Du bist. Du hast. Du kommst.

Du heißt ziet eruit als een uitzondering, maar dat is het niet. Die rare, typisch Duitse ß is ook een s-klank: op een ß volgt er nooit een -s-.

Ja/nee-vragen

Vergelijk deze twee zinnen in het Nederlands:

1 2 eind
Je bent oud.
Ben je oud?

In het Nederlands verliest het werkwoord de uitgang -t bij een vraag met "jij of je" als onderwerp.

In het Duits is dit niet het geval:

1 2 eind
Du bist alt.
Bist du alt?
Du trinkst Kaffee.
Trinkst du Kaffee?

Wie, du bist in England?

"Wie" betekent letterlijk "hoe", maar als het aan het begin van een zin staat en door een komma wordt gevolgd, dan wordt ermee verrassing of ongeloof betuigd. In deze context gebruikt men in het Nederlands "wat".

In het Duits kan je natuurlijk ook "was" gebruiken.

Ik updated 2021-03-15

Werkwoordsuitgangen

In de skill Jij, heb je geleerd dat na du een werkwoord altijd op -st eindigt:

  • Du bist. (Jij bent.)
  • Du singst. (Jij zingt.)

Bij ich (ik) krijgen werkwoorden doorgaans een -e als uitgang:

  • Ich singe. (Ik zing.)
  • Ich lerne. (Ik leer.)

Dit is niet volledig regelmatig, maar geldt wel voor de meeste werkwoorden. Probeer deze werkwoordsuitgangen goed in te oefenen, je Duits zal een beetje raar klinken als je dit niet doet. :)

Sport machen

In het Nederlands kan je sporten, maar in het Duits bestaat dit werkwoord niet. Men zegt Sport machen.

Ich mache Sport. (Ik sport. / Ik doe sport.)

Meer updated 2021-03-15

Meervoud

Zoals al eerder vermeld werd, zijn meervoudsvormen in het Duits nogal onregelmatig. Hier zijn er enkele woorden die je in deze skill zal leren:

enkelvoud meervoud
eine Lampe Lampen
eine Tochter Töchter
ein Bett Betten
ein Sofa Sofas
ein Stuhl Stühle
ein Computer Computer

Zoals je ziet is het soms heel simpel:

  • Alle zelfstandige naamwoorden die op -e eindigen, eindigen in het meervoud op -en.

Soms verandert de klinker een beetje (denk aan "stad/steden").

Sommige zelfstandige naamwoorden (die meestal op -er eindigen) blijven hetzelfde in het meervoud. Bij deze woorden moet je vaak naar de context kijken (bijvoorbeeld het werkwoord) om te weten of het woord in het enkelvoud of het meervoud staat.

  • Das ist mein Computer. (Dat is mijn computer.)
  • Das sind meine Computer. (Dat zijn mijn computers.)

Herkomst updated 2021-03-15

Werkwoordsuitgangen

Nu ken je alle uitgangen van regelmatige werkwoorden in het enkelvoud.

Nederlands Uitgang Voorbeeld
Ik -e ich singe
Jij -st du singst
Hij/Zij -t er/sie singt

Zoals in het Nederlands is het werkwoord zijn heel onregelmatig:

Nederlands Duits
Ik ben ich bin
Jij bent du bist
Hij/Zij is sie/er ist

Onthoud, oefening baart kunst!

Lidwoorden

Zoals je waarschijnlijk al doorhebt, is het lidwoord in het Duits net ietsje moeilijker dan in het Nederlands. Het geslacht is in het Duits veel meer van belang, want in het Nederlands wordt er nog nauwelijks een onderscheid gemaakt tussen mannelijke en vrouwelijke woorden (krijgen allebei "de"). Dit woordgeslacht is niet per se het echte, biologische "geslacht" van iets, het is gewoon een manier om de zelfstandige naamwoorden op te delen.

Nederlands vrouwelijk meervoud mannelijk
zij/zij/hij sie sie er
de/het die die der
deze/dit diese diese dieser
welk welche welche welcher
mijn meine meine meiner
jouw deine deine deiner

Vergelijk deze uitgangen even met die van ein en soortgelijke woorden:

Nederlands vrouwelijk meervoud mannelijk/onzijdig
een eine ein
mijn meine meine mein
jouw deine deine dein
geen keine keine kein

Dit is verkeerd! Het moet "die Name" zijn!!

We hebben je eerder verteld dat "woorden voor dingen" vrouwelijk (die) zijn als ze op -e eindigen:

  • die Lampe, die Rose, die Gitarre, die Garage

Dit geldt echter niet noodzakelijk voor abstracte concepten, mensen, of dieren. Deze woorden kunnen zeker ook iets anders dan vrouwelijk zijn, ook al eindigen ze op -e.

Junge (jongen) en Chinese (Chinees) zijn mannelijk. De reden hiervoor is heel simpel: De mensen waarnaar de woorden verwijzen zijn echt mannelijk!

  • Zelfstandige naamwoorden die naar personen verwijzen en op -e eindigen zijn vaak mannelijk

Voor abstracte concepten (dus geen voorwerpen en geen mensen) is het geslacht veel minder voorspelbaar als het woord op -e eindigt: Name is mannelijk, maar Ende (einde) is onzijdig.

Vaak overlapt dit met het Nederlands: het-woorden zijn heel vaak das-woorden in het Duits, en de-woorden zijn heel vaak der-woorden of die-woorden, maar zeker niet altijd!

Fouten melden

Ja, wij kunnen zeker ook fouten maken! Als je er eentje vindt, rapporteer het alsjeblieft. Gebruik hiervoor het "vlaggetje" onderaan je scherm bij een oefening. Als je een fout enkel meldt in de zinsdiscussies, is het mogelijk dat wij, de mensen die aan de cursus werken, je bericht niet zullen zien.

Gelieve ook eerst nog eens te controleren wat je instuurt. We krijgen dagelijks letterlijk honderden meldingen. Bij meer dan 99% van die berichten zit er geen fout in de originele zin. We zijn ook maar vrijwilligers, dus hoe minder tijd we moeten steken in "valse" meldingen, hoe sneller we echt werk kunnen doen :)

Sondern vs. aber

Denk bij sondern aan niet A, maar B:

  • Das ist kein Mann, sondern eine Frau. (Dat is geen man, maar een vrouw.)
  • Ich komme nicht aus Japan, sondern aus China. Ik kom niet uit Japan, maar uit China.)

Gebruik in een andere context aber:

  • Ich komme aus China, aber ich lebe in Japan. (Ik kom uit China, maar ik woon in Japan.)
  • Ich komme nicht aus China, aber ich spreche Chinesisch. (Ik kom niet uit China, maar ik spreek Chinese.)

Chinezen en Chinesen

der ChinesE = de ChinEES (mannelijke mens uit China)

die ChinesIN = de ChinESE (vrouwelijke mens uit China)

die ChinesEN = de ChineZen (mannelijke mensen uit China)

die ChinesINNEN = de ChineSen (vrouwelijke mensen uit China)

Nodig hebben updated 2021-03-15

Onzijdige zelfstandige naamwoorden

Je hebt eerder al geleerd dat lidwoorden en gelijkaardige woorden afhankelijk zijn van het geslacht en het getal van een zelfstandig naamwoord. Voor alle woorden in de volgende tabel zijn de vrouwelijke en meervoudsvormen hetzelfde.

Nederlands vrouwelijk/meervoud mannelijk
zij • hij sie er
de die der
deze diese dieser
welk(e) welche welcher
mijn meine meiner
jouw deine deiner

Er is nog een geslacht (onzijdig). Hieronder vind je dezelfde vormen voor onzijdige woorden, samen met de mannelijke tegenhangers ter vergelijking:

Nederlands mannelijk onzijdig
hij • het er es
de/het der das
deze/dit dieser dieses
welk(e) welcher welches
mijn meiner meines
jouw deiner deines

Zoals je kan zien eindigen de vrouwelijke vormen (en die in het meervoud) over het algemeen op -e, de mannelijke op -er, en de onzijdige op -es.

Eigenlijk heb je al enkele onzijdige zelfstandige naamwoorden geleerd:

  • das Bett, das Wasser, das Kind, das Haus, das Sofa, das Telefon, das Zimmer

Vaak zijn das-woorden het-woorden in het Nederlands, maar dus niet altijd! (das Telefon = de telefoon; das Zimmer = de kamer)

De onbepaalde lidwoorden (een in het Nederlands) zien er hetzelfde uit voor mannelijk en onzijdig:

Nederlands vr. mv. m./onz.
een eine ein
geen keine keine kein
mijn meine meine mein
jouw deine deine dein

Er zijn dus twee groepen "lidwoordachtige" woorden. De eerste groep krijgt de uitgangen zoals bij het bepaalde lidwoord (de/het), de tweede zoals het onbepaalde lidwoord (een). De beste manier om deze twee groepen uit elkaar te houden, is door veel te oefenen!

Meisjes zijn geen dingen!!

Over het algemeen is het grammaticaal geslacht voor personen hetzelfde als het natuurlijke geslacht. Voor dieren en voorwerpen geldt dit niet.

Zoals eerder al vermeld werd, zijn alle woorden op -chen altijd onzijdig. In het Nederlands is dit net hetzelfde! Alle verkleinwoorden (het kindje, het boompje, het meisje, het kaboutertje) zijn het-woorden en dus ook onzijdig.

  • das Mädchen (neuter)

Met -chen worden dus verkleinwoorden gevormd. Magd (meid) was lang geleden het normale woord voor jonge vrouw, dus Mädchen betekent letterlijk jong vrouwtje, of gewoon meisje.

man

Het voornaamwoord man werkt zoals het Nederlandse men:

  • Man kann hier tanzen. (Men kan hier dansen.)

In vlottere vertalingen wordt men vaak vervangen door je of ze naargelang de context. (Je kan hier dansen.) De je of ze verwijst dan niet naar een specifiek persoon, maar wijst dan op iets dat geldt in het algemeen.

Net als in het Nederlands volgt het de vervoeging van er/sie (hij/zij):

  • Man braucht ein Ticket. (Men heeft een ticket nodig.)

Natuurlijk verwijst man niet alleen naar mannen. (Mann ≠ man!)

Reis updated 2021-03-15

Sterke werkwoorden

Bij de meeste werkwoorden verandert enkel de uitgang, maar er zijn een paar werkwoorden waarvan de klinker in de stam ook verandert. Dit zijn sterke werkwoorden. Zo heb je sterke werkwoorden met een -a- in de stam. Deze -a- krijgt een umlaut en wordt een -ä- in de tweede en derde persoon enkelvoud.

rijden sleep
ich fahre schlafe
du fährst schläfst
er/sie fährt schläft

Daarnaast heb je ook sterke werkwoorden met een lange -eh- in de stam. Deze -eh- wordt dan een -ieh- in de tweede en derde persoon enkelvoud.

zien
ich sehe
du siehst
er/sie sieht

Gehen

In het Nederlands kan je "met het vliegtuig naar China gaan".

In het Duits kan dit niet; "gehen" kan je enkel te voet doen.

"Gaan" moet je dus vaak vervangen door een specifieker werkwoord zoals fahren (rijden) of fliegen (vliegen).

Bezittelijke voornaamwoorden

Wat je al geleerd hebt

Je hebt al geleerd dat sommige bezittelijke voornaamwoorden (mijn, jouw), net als de lidwoorden, vaak van uitgang veranderen:

een mijn jouw
vr./mv. eine meine deine
m./onz. ein mein dein
  • Meine Mutter ist hier.
  • Mein Mann ist hier.
één de/het mijne de/het jouwe
vr./mv. eine meine deine
m. einer meiner deiner
onz. eines meines deines
  • Diese Tasche ist deine. (Deze tas is de jouwe.)
  • Die Lampen sind meine. (Deze lampen zijn de mijne.)
  • Hier ist einer! (Hier is er eentje!)
  • Welcher Computer ist meiner? (Welke computer is de mijne?)
  • Das Handy ist deines. (Dat mobieltje is het jouwe.)

Nieuw!

In deze skill kom je er twee nieuwe tegen:

zijn haar/hun
m./onz. sein ihr
vr./mv. seine ihre

Zoals je ziet zien de vormen voor "haar" en "hun" er hetzelfde uit.

  • mannelijk: sein/ihr Partner. (zijn/haar partner)
  • onzijdig: sein/ihr Handy (zijn/haar mobieltje)
  • vrouwelijk: seine/ihre Mutter (zijn/haar moeder)
  • meervoud: seine/ihre Handys (zijn/haar mobieltjes)
de/het zijne de/het hare/hunne
vr./mv. seine ihre
m. seiner ihrer
onz. seines ihres
  • Der Computer ist ihrer. (De computer is van haar/hen.)
  • Das Wasser ist seines/ihres. (Het water is van hem/haar/hen.)

(De mijne, de jouwe, de hare, de hunne, etc. kan heel vaak gewoon vervangen worden door van ..., of die/dat van ... in het Nederlands.)

Oei, twee geslachten in één woord?

Geen paniek! Je kent in het Nederlands het verschil tussen "zijn" en "haar".

Het Nederlandse "zijn" wordt sein, plus uitgang. Het Nederlandse "haar" wordt ihr, plus uitgang.

De uitgang kies je net als bij "mein" en "dein":

  • meine Mutter, mein Vater (mijn moeder, mijn vader)

Nach Hause

Nach Hause betekent naar huis. Later zal je ook "zu Hause" leren, dit betekent "thuis". Fahren en gehen doe je dus nach Hause!

Broers en Zussen updated 2021-03-15

Modale werkwoorden

Modale werkwoorden hebben simpelere uitgangen.

In het Nederlands gebruik je sommige werkwoorden meestal in combinatie met een infinitief:

  • Hij kan zwemmen. Ik moet slapen.

Duits is heel gelijkaardig:

  • Er kann schwimmen. Ich muss schlafen.

Heb je er ooit al op gelet dat er geen -t (zoals in hij werkt) zit in hij kan? Ook in het Duits zijn de eerste en derde persoon hetzelfde voor modale werkwoorden:

persoon modaal ww ander ww
ich kann singe
du kannst singst
er/sie kann singt

Mögen vs. machen

Mögen (leuk/lekker vinden) is geen normaal modaal werkwoord. Het kan enkel bij zelfstandige naamwoorden (of voornaamwoorden) gebruikt worden:

  • Ich mag Pizza. (Ik vind pizza lekker.)
  • Er mag es! (Hij vindt het leuk!)

Mögen in het enkelvoud:

ich mag
du magst
er / sie mag

Machen is een normaal werkwoord. Het betekent maken.

  • Ich mache Pizza. (Ik maak pizza.)

Het wordt echter ook gebruikt waar we in het Nederlands doen gebruiken:

  • Das mache ich nicht! ("Dat doe ik niet!")

Verwar deze twee dus niet:

  • Ich mache Pizza! (Ik maak pizza!)
  • Ich mag Pizza! (Ik vind pizza lekker!)

Helemaal achteraan!

De woordvolgorde van het Duits lijkt sterk op die van het Nederlands, maar er zijn toch enkele dingen waar je op moet letten.

De Tangconstructie:

  • De persoonsvorm ("ich singe, du singst, …") komt op de plaats waar ze ook in het Nederlands staat.
  • De "rest" van het werkwoord komt altijd helemaal achteraan in de zin.
  • De rest van de zin komt tussen die twee werkwoorden/werwoordsdelen.
1 2 einde
Ich singe nicht .
Ich kann nicht singen.
Ich kann am Montag nicht singen.

"Ich kan nicht singen am Montag." klopt dus niet, hoewel we deze woordvolgorde in het Nederlands wel gebruiken.

Naamvallen! Nominatief & Accusatief

Mij & Jou

In het Nederlands veranderen persoonlijke voornaamwoorden soms:

  • Hij ziet haar. Zij ziet hem.

Dit is een overblijfsel van een "naamvalsysteem" dat we lang geleden ook in het Nederlands hadden.

In het Duits is het naamvalsysteem er wel nog! Kijk eens naar de volgende tabel:

nominative accusative
ich mich
du dich

De nominatief en de accusatief zijn twee van deze "naamvallen".

De nominatief wordt gebruikt voor het onderwerp van een zin.

De accusatief heeft een aantal functies. Hier wordt het gebruikt als het lijdend voorwerp van een zin:

  • Ich sehe dich. Du siehst mich. (Ik zie jou. Jij ziet mij.)

Sommige voorzetsels hebben ook een accusatief nodig:

  • Ist der Tee für mich? (Is de thee voor mij?)

Accusatief: andere vormen

Er zijn nog andere woorden die veranderen als ze in de accusatief staan. Het goede nieuws is dat dit enkel gebeurt voor mannelijke (enkelvoudige) woorden.

Dit betekent dat, zolang een woord niet mannelijk is en in het enkelvoud staat, de nominatief en de accusatief hetzelfde zullen zijn.

  • Eine Frau hat eine Katze. (Een vrouw heeft een kat.)
  • Ein Kind hat ein Fahrrad. (Een kind heeft een fiets.)
  • Die Pizza ist für die Frau. (De pizza is voor de vrouw.)

Voor mannelijk enkelvoud is de verandering heel eenvoudig. Voeg overal gewoon een -en toe:

  • Ein Mann hat einen Computer. (Een man heeft een computer.)
  • Ich habe keinen Computer. (Ik heb geen computer.)
  • Der Euro ist für den Bus. (De euro is voor de bus.)

Zo heeft de accusatief van er (hij) ook een -n op het einde:

  • Er mag ihn. (Hij vindt hem leuk.)

Wer (wie) verandert ook in de accusatief: het is dan altijd wen (ongeacht het geslacht):

  • Wer ist das? (Wie is dat?)
  • Wen magst du? (Wie vind jij leuk?)

Uitgangen van bijvoeglijke naamwoorden

Op het einde van een zin krijgt een adjectief, net als in het Nederlands, geen uitgang:

  • Die Pizza ist gut. (De pizza is goed.)
  • Das Eis ist gut. (Het ijsje is goed.)

Voor zelfstandige naamwoorden krijgen ze wel uitgangen die zich aanpassen aan het geslacht en de naamval. Onthoud voor nu de volgende regels:

Voor vrouwelijk en meervoud, voeg een -e toe:

  • Das ist eine gute Pizza.
  • Ich habe zwei kleine Brüder. (Ik heb twee kleine broertjes.)

Voor mannelijk/onzijdig, voeg je ook een -e toe wanneer je der of das ziet:

  • Der kleine Bruder (de kleine broer)
  • Das gute Eis (het goede ijsje).

De uitgang is dus heel vaak een -e, maar vergeet niet dat er ook andere uitgangen zijn.

Een eerste uitzondering: bij mannelijke woorden in de accusatief (den/einen), eindigt het adjectief ook op -en

  • Ich habe einen kleinen Bruder. (Ik heb een kleine broer.)
  • Ich mag den kleinen Mann. (Ik vind de kleine man leuk.)

Familie updated 2021-03-15

Modale werkwoorden: Meervoud

In de vorige skill heb je twee modale werkwoorden geleerd:

ich kann mag
du kannst magst
er/sie kann mag

In het meervoud krijgen deze werkwoorden regelmatige uitgangen. De klinker in de stam is wel vaak anders:

wir können mögen
sie können mögen

Infinitieven, enkele meervoudsvormen

Net als in het Nederlands zijn de infinitief, de wir-vorm en de sie-vorm (in het meervoud) voor regelmatige werkwoorden hetzelfde; -en.

leren rijden hebben
infinitief lernen fahren haben
wir lernen fahren haben
sie lernen fahren haben

Hieronder vind je een kleine herhaling van de vormen in het enkelvoud:

leren rijden hebben
ich lerne fahre habe
du lernst fährst hast
er/sie/es lernt fährt hat

Bezittelijke voornaamwoorden

Wat je al kent

In de vorige lessen heb je al geleerd hoe je "mijn, jouw, zijn, haar & hun" zegt in het Duits:

NL vr./mv. man. Nom./onz. man. Acc.
mijn meine mein meinen
jouw deine dein deinen
zijn seine sein seinen
haar/hun ihre ihr ihren

De uitgangen zijn hetzelfde voor ein & kein:

NL vr./mv. man. Nom./onz. man. Acc.
een eine ein einen
geen keine kein keinen

Als je dit een beetje moeilijk vindt, gewoon blijven oefenen! De vorige skills herbekijken kan zeker geen kwaad. :)

Nu in het meervoud!

In deze skill leer je de Duitse woorden voor "ons/onze" en "jullie":

NL vr./mv. man. nom./onz. man. Acc.
ons unsere unser unseren
jullie eure euer euren
hun ihre ihr ihren

Onthoud dat "euer" een "e" kwijtraakt wanneer het een uitgang krijgt.

Getallen: 1-12

In deze en de vorige skills ben je de getallen van 1 tot 12 tegengekomen:

1 eins 7 sieben
2 zwei 8 acht
3 drei 9 neun
4 vier 10 zehn
5 fünf 11 elf
6 sechs 12 zwölf

Deze getallen veranderen nooit van vorm, behalve één. Eins wordt enkel gebruikt als er niets op volgt:

  • Um eins schwimme ich. (Om één uur zwem ik.)
  • Um ein Uhr schwimme ich. (Om één uur zwem ik.)
  • Ich habe eine Tochter. (Ik heb één dochter.)

Hobby's updated 2021-03-15

Im vs. ins

Vertaal voor nu im als "in het/in de", en ins als "naar het":

  • Ich bin im Theater. (Ik ben in het theater.)
  • Ich gehe ins Theater. (Ik ga naar het theater.)

Later zal je zien dat er een groter patroon is.

Im wordt ook gebruikt voor maanden en seizoenen:

  • Im Juli, im Winter

Werkwoorden: jullie

Tot nu toe heb je deze werkwoordsvormen geleerd:

leren rijden hebben
infinitief lernen fahren haben
ich lerne fahre habe
du lernst fährst hast
er/sie/es lernt fährt hat
wir lernen fahren haben
sie lernen fahren haben

Hier leer je de vormen van de laatste persoon, "jullie".

Deze vorm krijgt altijd een "-t" als uitgang, en de stam zal altijd hetzelfde zijn als in de infinitief. Bekijk eens het verschil met de derde persoon enkelvoud (er-vorm), waar de stam wel soms verandert:

leren rijden hebben
infinitief lernen fahren haben
er/sie/es lernt fährt hat
ihr (jullie) lernt fahrt habt

Gern

Gern werkt net als het Nederlandse "graag", dus niets moeilijks!

Gern wordt soms ook geschreven/uitgesproken als gerne, deze twee vormen zijn exact hetzelfde.

Klagen updated 2021-03-15

Werkwoorden: zijn

Net als in het Nederlands is het Duitse werkwoord "sein" (zijn) heel onregelmatig:

zijn sein
Ik ich bin
jij du bist
hij/zij/het er/sie/es ist
wij wir sind
jullie ihr seid
zij (mv.) sie sind

Werkwoordsvormen: modale werkwoorden

Zoals al eerder uitgelegd werd, zijn modale werkwoorden een categorie apart.

In het enkelvoud hebben ze vaak een andere stamklinker dan in het meervoud.

De eerste en derde persoon enkelvoud krijgen ook dezelfde vorm.

persoon kunnen
ich kann
du kannst
er/sie/es kann
wir können
ihr könnt
sie können

Net als in het Nederlands worden ze vaak gecombineerd met een infinitief.

  • Ich kann nicht schwimmen! (Ik kan niet zwemmen!)

Imperatief: jullie

De imperatief is de bevelende vorm. Je gebruikt deze vorm vaak wanneer je instructies geeft. (Ga naar links. Kijk naar buiten! Kom binnen!)

In het Duits is het belangrijk om te weten tegen wie je het hebt. Praat je tegen één iemand of praat je tegen meerdere mensen? De imperatief in het meervoud is makkelijk:

  • Ihr trinkt kein Bier. (Jullie drinken geen bier.)

wordt

  • Trinkt kein Bier, Julia und Andreas! (Drink geen bier, Julia en Andreas!)

Laat ihr vallen en je hebt een meervoudsimperatief.

Te veel ihr?

Het woord ihr heeft verschillende functies in het Duits:

haar ihr Bier (haar bier)
hun ihr Bier (hun bier)
jullie ihr trinkt (jullie drinken)

Maak je hier niet te veel zorgen om, uit de context zal je normaal kunnen afleiden met welke ihr je te maken hebt.

Finden

Finden kan gewoon "vinden" betekenen:

  • Ich kann mein Handy nicht finden! (Ik kan mijn mobieltje niet vinden!)

Het wordt ook gebruikt om meningen te formuleren:

  • Ich finde den Film gut. (Ik vind de film goed.)

Let erop dat het lijdend voorwerp in beide gevallen in de accusatief staat.

Tut mir leid!

Leer tut mir leid als een uitdrukking, de grammatica is nogal onregelmatig. Je zegt het wanneer je spijt of medelijden hebt.

Eten updated 2021-03-15

Mögen

Hoewel zelfs sommige Duitsers het niet weten, bestaat het werkwoord möchten niet. De vormen die met möcht- beginnen zijn conjunctiefvormen van mögen. Ze worden gebruikt als je beleefder wil zijn. In het Nederlands gebruiken we wil graag of zou graag.

  • Ich mag Pizza! (Ik vind pizza lekker!)
  • Ich möchte Pizza! (Ik wil graag pizza!)
persoon mögen (beleefde vorm)
ich mag möchte
du magst möchtest
er/sie/es mag möchte
wir mögen möchten
ihr mögt möchtet
sie mögen möchten

Op möchten kan er niet alleen een zelfstandig naamwoord volgen, maar ook een werkwoord:

  • Ich möchte schlafen. (Ik wil graag slapen.)
  • Ich möchte Cola trinken. (Ik wil graag cola drinken.)

Müssen

Net als bij mögen verandert de klinker van de stam van het modale werkwoord müssen in het enkelvoud:

persoon müssen
ich muss
du musst
er/sie/es muss
wir müssen
ihr müsst
sie müssen

Müssen werkt zoals het Nederlandse "moeten".

  • Ich muss schlafen! (Ik moet slapen!)

Let op! Nicht müssen betekent niet hoeven.

Ich muss nicht schlafen. (Ik hoef niet te slapen.)

Zu vs. zum

Leer zu Hause ("thuis") als een uitdrukking. Bij maaltijden gebruik je zum:

  • Ich esse zum Mittagessen eine Pizza.

Zu Hause

In deze skill komt zu Hause (thuis) aan bod. Je hebt al nach Hause (naar huis) geleerd. Ook al kan "zu" in sommige contexten "naar" als vertaling krijgen, betekent zu Hause altijd "thuis", nooit "naar huis".

Restaurant updated 2021-03-15

Beleefdheidsvorm

In het Nederlands gebruiken we "u" als we beleefd willen zijn tegenover mensen die we niet zo goed kennen. In het Duits wordt Sie gebruikt, dezelfde sie als die van de derde persoon meervoud, maar dan met een hoofdletter:

persoon trinken
du trinkst
ihr trinkt
sie/Sie trinken

Hoe weet je wat sie/Sie betekent? Sie als vertaling van "u" wordt altijd met een hoofdletter geschreven .

  • Wo sind sie? (Waar zijn ze?)
  • Wo sind Sie? (Waar bent u?)

Als Sie aan het begin van een zin staat kan je zonder context niet weten of het "zij" of "u" is:

  • Sie sind da! (Ze zijn er! OF U bent er!)

Wanneer je de beleefdheidsvorm gebruikt, combineer je die vaak met de familienaam van de persoon tegen wie je spreekt, en Herr/Frau:

  • Guten Tag, Herr Müller! (Goedendag, Mr. Müller!)
  • Willkommen, Frau Schmidt! (Welkom, Mevr. Schmidt!)

Achtervoegsels: -ung

Zoals al eerder vermeld werd, kan je vaak het geslacht van een woord afleiden aan de hand van de eindletters:

  • -chen (das)
  • -er (vaak der)
  • -e (vaak die)

Een veelvoorkomende manier om van een werkwoord een zelfstandig naamwoord te maken, is -ung. (vaak -ing in het Nederlands) Deze woorden zijn allemaal vrouwelijk:

  • die Wohnung, die Reservierung, die Rechnung

Verleden tijd

Net als in het Nederlands kan je werkwoorden in de tegenwoordige tijd gebruiken om over het heden en de toekomst te praten:

  • Ich esse! (Ik eet!/Ik ben aan het eten!)
  • Ich gehe morgen ins Theater. (Ik ga morgen naar het theater)

De verleden tijd ziet er, ook net als in het Nederlands, anders uit. Hier leer je hoe je "Ik was" zegt:

  • Ich war gestern im Theater. (Ik was gisteren in het theater.)

De uitgangen zijn zoals die van de modale werkwoorden (müssen, können, …), maar de stam verandert nooit. Vergelijk hieronder de verleden tijd van sein, en de tegenwoordige tijd van können:

persoon sein (zijn) können (kunnen)
ich war kann
du warst kannst
er/sie/es war kann
wir waren können
ihr wart könnt
sie/Sie waren können

Ik ben naar Ierland geweest!

Veel mensen die Duits leren hebben moeite om te vertellen waar ze naartoe zijn geweest:

  • Ik ben naar Ierland geweest.

In het Duits is het veel simpeler: gebruik gewoon ich war:

  • Ich war in Irland.

Klaslokaal updated 2021-03-15

-ieren

Veel werkwoorden eindigen op -ieren. Deze werkwoorden eindigen in het Nederlands vaak op -eren:

  • notieren (noteren)
  • markieren (markeren)
  • telefonieren (telefoneren)

Deze groep werkwoorden zijn volledig regelmatig: alle werkwoorden in deze groep vervoegen zich op dezelfde manier. Het is belangrijk op te merken dat, ongeacht de lengte van het werkwoord, de nadruk altijd op -ie- ligt:

  • Mein Bruder telefoniert. (Mijn broer telefoneert.)
  • Wir studieren hier. (We studeren hier.)

Russischlehrer

In het Nederlands zegt men leraar Russisch. Deze volgorde kan je in het Duits niet gebruiken. Je moet de woorden omdraaien: Russischlehrer

Mein Russischlehrer ist Deutscher. (Mijn leraar Russisch is Duitser.)

Meine Russischlehrerin ist Deutsche. (Mijn lerares Russisch is Duitse.)

Als je het over een leraar hebt die uit Rusland komt zegt men russischer Lehrer.

Ontbijt updated 2021-03-15

Voltooide tijd

Net als in het Nederlands kan je de tegenwoordige tijd niet gebruiken om over het verleden te praten.

  • Ich habe Suppe gekocht. (Ik heb soep gekookt.)

De vorming van het voltooid deelwoord is bijna hetzelfde als in het Nederlands: plak ge- vooraan, en (altijd) -t achter de stam. (En nooit een -d.)

machen kochen
gemacht gekocht

Meestal wordt "haben" (hebben) als hulpwerkwoord gebruikt.

  • Ich habe nichts gemacht! (Ik heb niets gedaan!)

Onthoud dat je, bij een werkwoord in de voltooide tijd, het voltooid deelwoord altijd achteraan moet plaatsen:

1 2 eind
Ich habe gestern Suppe gekocht.
Gestern habe ich Suppe gekocht.

(Dus vermijd bijvoorbeeld: "Ich habe Suppe gekocht gestern.")

Vrienden updated 2021-03-15

De derde naamval

Het Duits telt vier naamvallen. In de vorige lessen heb je de nominatief en de accusatief leren kennen.

De nominatief wordt gebruikt voor het onderwerp van een zin.

De accusatief wordt gebruikt voor het lijdend voorwerp van een zin. Ook op sommige voorzetsels volgt er een woord in de accusatief.

De derde belangrijke naamval is de datief.

Voornaamwoorden in de datief

Hieronder zie je de eerste drie persoonlijke voornaamwoorden in de datief die je zal tegenkomen, samen met de vormen in de nominatief en de accusatief:

Nom. Acc. Dat.
ich mich mir
du dich dir
sie (vr.) sie ihr

Gebruik

Net als de accusatief heeft de datief enkele functies.

Sommige voorzetsels staan met een woord in de datief:

  • mit, zu, aus, von, bei

  • Komm mit mir! (Kom met mij!)

  • Ich gehe zu ihr. (Ik ga naar haar.)

Een lijdend voorwerp staat normaal in de accusatief:

  • Ich sehe dich. (Ik zie jou.)

Op sommige werkwoorden volgt er altijd een datief:

  • Ich helfe dir. (Ik help jou.)
  • Ich danke dir. (Ik bedank jou.)

Sommige werkwoorden kunnen dus tegelijk een lijdend voorwerp in de accusatief en een meewerkend voorwerp in de datief krijgen (in de vertaling kan je vak "aan" gebruiken). Het meewerkend voorwerp is het antwoord op de vraag "aan wie? voor wie?".

  • Ich habe einen Hund. (Ik heb een hond.)
  • Ich gebe dir einen Hund. (Ik geef je een hond./Ik geef een hond aan jou.)

Komm!

Net als in het Nederlands wordt het onderwerp niet uitgedrukt bij een gebiedende wijs (bevelzin). Later zal je deze vorm meer in detail leren. Onthoud nu gewoon dat als je "Kom!" wil zeggen, het in het Duits Komm! is (en niet bijvoorbeeld kommst).

Winkel updated 2021-03-15

Datief

De datief is in sommige opzichten de "makkelijkste naamval".

Lidwoorden (en soortgelijke woorden) krijgen de volgende uitgangen:

geslacht uitgang
vrouwelijk -r
niet vrouwelijk -m
meervoud -n

Persoonlijke voornaamwoorden in de datief

Je zal de uitgangen van de lidwoorden ook herkennen in enkele persoonlijke voornaamwoorden:

Nom. Acc. Dat.
ich mich mir
du dich dir
er/es ihn/es ihm
sie (vr.) sie ihr
wir uns uns
ihr euch euch
sie/Sie sie/Sie ihnen

Zoals je ziet, gelden hier dezelfde regels: vrouwelijk (sie) wordt ihr, er/es wordt ihm, en sie (meervoud) wordt ihnen.

Voor wir en ihr (wij/jullie) zijn de vormen in de datief dezelfde vormen als in de accusatief.

Bijvoeglijke naamwoorden in de datief

Over het algemeen eindigen bijvoeglijke naamwoorden in de datief altijd op -en, ongeacht het geslacht en getal.

geslacht bijvoeglijk naamwoord Nederlands
vr. mit meiner alten Katze met mijn oude kat
m./onz. mit meinem alten Hund met mijn oude hond
mv. mit meinen alten Freunden met mijn oude vrienden

Datief meervoud

Er is nog iets: bij de datief meervoud, krijgen niet alleen het lidwoord en een bijvoeglijk naamwoord de uitgang -n; zelfs het zelfstandig naamwoord zelf krijgt een extra -n (als er nog geen stond):

  • der Freund, die Freunde (de vriend, de vrienden)
  • mit meinen guten Freunden (met mijn goede vrienden)

Deze regel geldt niet voor woorden die op -s eindigen.

Samengetrokken voorzetsels

Nu kan je begrijpen waarom je bij sommige woorden zur gebruikt, maar bij andere zum. Dit zijn samentrekkingen van "zu + der" en "zu + dem". Vrouwelijke woorden gebruiken zur, andere zum.

  • Ich fahre zum Zoo. (Ik rijd naar de zoo.) > "der Zoo" (m.)
  • Ich fahre zur Oper. (Ik rijd naar de opera.) > "die Oper" (vr.)

Duits heeft nog enkele samentrekkingen die hierop lijken. Tot nu toe heb je deze geleerd:

  • im (in dem)
  • ins (in das)

Vakantie updated 2021-03-15

Voltooid deelwoord zonder ge-

Werkwoorden die op -ieren eindigen, krijgen geen ge- als voltooid deelwoord:

  • markieren > er hat markiert
  • telefonieren > er hat telefoniert

Ook werkwoorden die beginnen met de volgende voorvoegsels krijgen geen ge-:

  • be-, er-, ver-, zer-, ent-

Net als in het Nederlands veranderen voltooide deelwoorden niet afhankelijk van de persoon:

  • Ich habe verkauft. Er hat verkauft. Wir haben verkauft.

Wie?

Het Duitse woord voor "Wie?", "Wer?, heeft drie vormen in het Duits en verandert dus afhankelijk van de naamval. Ze hebben dezelfde uitgangen als het mannelijke "der". Dezelfde vormen worden wel gebruikt ongeacht waarnaar het verwijst:

Naamval wie? de/het (m.)
Nominatief wer der I
Accusatief wen den II
Datief wem dem III

Een geheugensteuntje: het aantal poten van de laatste letter van elk woord komt mooi overeen met I, II, III :)

Die Niederlande

In het Duits wordt "die Niederlande" alleen in het meervoud gebruikt en je kan het lidwoord niet weglaten.

Men zegt dus "Die Niederlande sind ein schönes Land" (Nederland is een mooi land) en niet "Die Niederlande ist ein schönes Land" of "Niederlande ist ein schönes Land".

Noorden, zuiden…

Gebruik Norden, Süden, Osten, Westen wanneer je praat over een plaats in een andere plaats (in het...):

  • Hamburg ist im Norden von Deutschland. (Hamburg is in het noorden van Germany.)

Gebruik nördlich, südlich, östlich, westlich wanneer je praat over een plaats die buiten de plaats is waarmee je de locatie vergelijkt (ten ... van):

  • Dänemark ist nördlich von Deutschland. (Denemarken is ten noorden van Duitsland.)

in der Schweiz

De meeste plaatsnamen krijgen geen lidwoord:

  • Ich bin in Köln. Italien ist schön.

Wanneer je over een richting praat, gebruik je bij plaatsnamen nach:

  • Ich fahre nach Köln. (Ik ga naar Keulen.)

Een paar plaatsnamen hebben wel altijd een lidwoord:

  • die Türkei, die Schweiz (vrouwelijk)
  • der Iran, der Irak (mannelijk)
  • die USA, die Philippinen, die Niederlande (meervoud)

Bij deze landen kan je nach niet gebruiken. Gebruik in de plaats in + accusatief:

  • Ich fahre in die USA. Ich fliege in den Iran.

Als je praat over de plaats waar iemand of iets zich bevindt, gebruik je de datief:

  • Ich bin in der Schweiz. Ich bin in den USA.

Je zal meer over het verschil tussen de datief en de accusatief leren in de latere skill "Meubels".

Vrije Tijd updated 2021-03-15

Datief meervoud: altijd "-n"!

Wist je nog dat lidwoorden, persoonlijke voornaamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden op een -n eindigen in de datief meervoud?

  • mit den alten Autos (met de oude auto's)

Onthoud ook dat woorden die in het meervoud niet op -n eindigen, ook een extra -n krijgen:

  • der Freund, die Freunde (de vriend, de vrienden)
  • mit meinen alten Freunden (met mijn oude vrienden)

Zoals je aan "met den Autos" kan zien, geldt deze regel niet voor meervoudsvormen die op -s eindigen.

School 1 updated 2021-03-15

Bijvoeglijke naamwoorden: Meervoud + lidwoord

Hier zijn de uitgangen van de bijvoeglijke naamwoorden in de nominatief die je al geleerd hebt:

geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
vr. die alte Frau
vr. eine alte Frau
m. der alte Mann
onz. das kleine Kind
mv. alte Männer
  • Die alte Frau und der alte Mann tanzen.

In de accusatief veranderen enkel de mannelijke woorden:

geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
m. den alten Mann
m. einen alten Mann
  • Ich sehe einen alten Mann.

Bijvoeglijke naamwoorden in de datief zullen ook altijd (in de zinnen die je nu zal krijgen) eindigen op -en:

geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
vr. der alten Frau
vr. einer alten Frau
m./onz. dem kleinen Mann/Kind
m./onz. einem kleinen Mann/Kind
mv. den alten Männern
mv. alten Männern

In de latere skills zal je dit systeem vervolledigen.

Hier leer je dat, wanneer je een lidwoord in het meervoud toevoegt (nominatief of accusatief), je ook een -n moet toevoegen aan het bijvoeglijk naamwoord:

lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
alte Hunde
die alten Hunde
meine alten Hunde
keine alten Hunde
welche alten Hunde?
diese alten Hunde

Behalve bijvoeglijke naamwoorden, geldt hetzelfde ook voor soortgelijke woorden (meine, keine, welche, diese, etc.).

Voltooid deelwoord: sterke werkwoorden

Tot nu toe heb je geleerd dat voltooide deelwoorden:

  • normaal op -t eindigen
  • normaal met ge- beginnen
  • maar werkwoorden op -ieren geen ge- krijgen
  • werkwoorden die met be-, ver-, zer- beginnen, ook geen ge- krijgen

  • kaufen, gekauft

  • verkaufen, verkauft
  • telefonieren, telefoniert

De meeste werkwoorden werken zo. Maar net als in het Nederlands is er nog een andere groep (vaak veel voorkomende) werkwoorden waarbij het voltooid deelwoord er iets anders uitziet. Deze werkwoorden heten sterke werkwoorden.

Hun voltooid deelwoord

  • eindigt op -en
  • kan een klankverandering (of een andere verandering) in de werkwoordsstam krijgen.

  • fahren > gefahren, schlafen > geschlafen

  • schwimmen > geschwommen, fliegen > geflogen

Anders gedragen ze zich net als de andere werkwoorden: als de eerste lettergreep benadrukt is, valt de ge- weg:

  • vergessen > vergessen (vergeten)

Meubels updated 2021-03-15

Locatie

Zinnen zoals de volgende heb je al gezien:

  • Ich gehe ins Kino. (Ik ga naar de cinema.)
  • Ich bin im Kino. (Ik ben in de cinema.)

Bij een aantal voorzetsels kan er dus zowel een accusatief als een datief staan. De accusatief duidt een verandering van plaats aan, en de datief duidt aan dat de locatie hetzelfde blijft. Deze voorzetsels zijn wisselvoorzetsels:

  • in, auf, unter, über, an, neben, vor, hinter, zwischen

In deze skill zal je enkel zinnen krijgen waar de locatie niet verandert (dus de voorzetsels hierboven + datief). In de volgende skill zal je ook zinnen krijgen met een wisselvoorzetsel met een accusatief.

Doe het! updated 2021-03-15

Locatie en verandering van locatie

In de vorige skill heb je gezien dat wanneer je over een blijvende locatie praat, het voorzetsel in het algemeen met de datief staat:

  • Ich bin im Kino. Die Katze ist unter dem Tisch.

Het Duits heeft "wisselvoorzetsels":

  • in, auf, unter, über, an, neben, vor, hinter, zwischen

Deze krijgen altijd een datief als ze een plaats aanduiden. Wanneer ze een verandering van plaats aanduiden, krijgen ze een accusatief!

  • Ich gehe ins Kino. (Ik ga naar de bioscoop.)
  • Die Katze läuft unter den Tisch. (De kat loopt onder de tafel.)

Dit is een van de moeilijkere aspecten van Duits, maar oefening baart kunst. :)

Sommige voorzetsels staan altijd met een datief:

  • von, zu, aus

En sommige voorzetsels staan altijd met een accusatief:

  • durch, gegen, um

Leer best eerst de voorzetsels die altijd met dezelfde naamval staan. Voor de overige (wissel)voorzetsels moet je dan gewoon denken: "plaatsverandering of niet?".

Liegen, legen

Hieronder zie je enkele werkwoordsparen, waarvan telkens een werkwoord een locatie beschrijft, en het andere werkwoord een plaatsverandering (plaatsing) aanduidt:

locatie plaatsverandering
liegen legen
sitzen setzen
stehen stellen
hängen hängen
  • Das Buch liegt auf dem Tisch. (Het boek ligt op de tafel.)
  • Ich lege das Buch auf den Tisch. (Ik leg het boek op de tafel.)

Het werkwoord in de eerste kolom staat met een datief wanneer er wisselvoorzetsels ("in, auf…") gebruikt worden. Die in de tweede kolom staan dan met een accusatief.

De laatste twee werkwoorden in de tabel zien er hetzelfde uit, maar de voltooide deelwoorden zijn anders:

locatie plaatsverandering
gelegen gelegt
gesessen gesetzt
gestanden gestellt
gehangen gehängt

De werkwoorden die een locatie aanduiden zijn allemaal sterke werkwoorden, en alle werkwoorden waarbij er een plaatsing plaatsvindt zijn zwakke (regelmatige) werkwoorden.

Uitgangen van bijvoeglijke naamwoorden

Weet je nog dat de uitgang voor bijvoeglijke naamwoorden na "das, der, die & eine" -e is?

geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
vr. die alte Frau
vr. eine alte Frau
m. der alte Mann
onz. das kleine Kind
mv. alte Männer

In deze skill leer je de volgende nieuwe uitgang:

geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
onz. das kleine Kind
onz. ein kleines Kind

De logica is hier dat ofwel het lidwoord, ofwel het bijvoeglijk naamwoord (maar nooit alle twee!) een -s krijgt.

De uitgangen in de nominatief en de accusatief hetzelfde voor het onzijdig, vrouwelijk en meervoud.

Gebiedende wijs

Vergelijk het verschil tussen een stelling en een bevel in het Nederlands:

  • Jij spreekt Duits.
  • Spreek Duits!

Duits heeft drie verschillende bevelvormen:

  • een vorm die je gebruikt als je tegen één persoon praat (du - jij)
  • een vorm die je gebruikt als je tegen meer dan één persoon praat (ihr - jullie)
  • een beleefdheidsvorm (Sie - u)

De laatste twee zijn makkelijk te vormen:

Stelling Bevel
Ihr kommt in den Garten. Kommt in den Garten!
Sie kommen in den Garten. Kommen Sie in den Garten!

Bij ihr moet je gewoon de ihr laten vallen. Bij de beleefdheidsvorm plaats je de Sie na het werkwoord.

Voor de du-vorm is dit de algemene regel:

Stelling Bevel
Du kommst in den Garten. Komm in den Garten!

De du en de uitgang -st vallen weg.

Er zijn wel enkele dingen waar je op moet letten:

  • voor onregelmatige werkwoorden, neem je de stam van de du-vorm
  • maar laat je de umlaut vallen (indien aanwezig)
  • als de stam op -t/-d eindigt, wordt er een -e- toegevoegd
Stelling Bevel Uitleg
Du trinkst. Trink! Regelmatig
Du isst. Iss! De infinitief is essen
Du fährst. Fahr! Zonder umlaut
Du arbeitest Arbeite! Extra e na -t/-d

Feest updated 2021-03-15

Nog een adjectiefuitgang!

Zoals je al geleerd hebt, is de uitgang voor bijvoeglijke naamwoorden na "das, der, die & eine" -e:

geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
vr. die alte Frau
vr. eine alte Frau
m. der alte Mann
onz. das kleine Kind
mv. alte Männer

In de vorige skill heb je ook geleerd dat bij onzijdige woorden ofwel het lidwoord ofwel het bijvoeglijk naamwoord (maar nooit allebei!) een -s als uitgang krijgen:

geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
onz. das kleine Kind
onz. ein kleines Kind

Voor mannelijke woorden in de nominatief geldt dezelfde regel: ofwel het lidwoord, ofwel het bijvoeglijk naamwoord eindigt op -r

geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
m. der alte Mann
m. ein alter Mann

De nominatief en de accusatief zijn hetzelfde voor de onzijdige en vrouwelijke vormen, en de vormen in het meervoud.

Bij de mannelijke accusatief krijgen zowel de lidwoorden als de bijvoeglijke naamwoorden de uitgang -en:

geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
m. den alten Mann
m. einen alten Mann

Nu ken je alle vormen in de nominatief en de accusatief, en ook de meeste vormen in de datief (die over het algemeen op -en eindigen)!


Rangtelwoorden

Rangtelwoorden zijn bijvoeglijke naamwoorden en krijgen dezelfde uitgangen:

  • Ich wohne im fünften Stock. (Ik woon op de vijfde verdieping.)
  • Der fünfte Juni ist ein Montag. (Vijf juni is een maandag.)

De algemene regel is dat van één tot negentien je een -t- toevoegt tussen het getal en de uitgang:

2. zweite
4. vierte
8. achte
10. zehnte
12. zwölfte
19. neunzehnte

Vanaf twintig voeg je een -st- toe:

20. zwanzigste
42. zweiundvierzigste
100. hundertste
1000. tausendste

Er zijn drie onregelmatige vormen:

1. erste
3. dritte
7. siebte

In het Duits is het ook de gewoonte om een punt na het getal te plaatsen (42. = zweiundvierzigste) om aan te tonen dat het een rangtelwoord is.

Weer updated 2021-03-15

Vormittag

Let op! Voor Nederlanders is het Duitse woord Vormittag een valse vriend. Daarmee bedoelen de Duitsers de tijd tussen 9 en 12 uur 's ochtends. In Nederland zou je dus ochtend en niet voormiddag zeggen.

Belgen kunnen gewoon voormiddag zeggen, omdat het in België net zoals in Duitsland wordt gebruikt.

Werden

Het Duitse hulpwerkwoord werden heeft verschillende functies.

Wanneer er een zelfstandig of bijvoeglijk naamwoord op volgt, komt het overeen met het Nederlandse "worden":

  • Ich werde müde! (Ik word moe!)
  • Er wird Vater. (Hij wordt vader.)

De vormen van werden volgen ongeveer het patroon van de sterke werkwoorden (essen, fahren, …):

  • in de tweede en derde persoon enkelvoud verandert de klinker
  • maar de derde persoon enkelvoud heeft een onregelmatige uitgang (geen -t)
werden
ich werde
du wirst
er wird
wir werden
ihr werdet
sie/Sie werden

Kantoor updated 2021-03-15

Onregelmatige voltooide deelwoorden

In deze skill kom je de volgende onregelmatige voltooide deelwoorden tegen:

Infinitief Voltooid deelwoord NL
werden geworden geworden
sein gewesen geweest

Kleren updated 2021-03-15

Herhaling bijvoeglijke naamwoorden

Je hebt nu alle uitgangen geleerd voor bijvoeglijke naamwoorden in de drie belangrijkste naamvallen: de nominatief, accusatief en datief.

Zoals in eerdere skills al beschreven werd, is de uitgang na "das, der, die & eine" een -e:

geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
vr. die alte Frau
vr. eine alte Frau
m. der alte Mann
onz. das kleine Kind
mv. alte Männer

Je hebt ook geleerd dat bij onzijdige woorden in de nominatief en de accusatief, ofwel het lidwoord, ofwel het bijvoeglijk naamwoord (maar nooit allebei!) een -s als uitgang heeft:

geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
onz. das kleine Kind
onz. ein kleines Kind

Dezelfde regel geldt voor mannelijke woorden in de nominatief. Ofwel het lidwoord, ofwel het bijvoeglijk naamwoord eindigt op -r:

geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
m. der alte Mann
m. ein alter Mann

De nominatief en de accusatief zijn hetzelfde voor het onzijdig, vrouwelijk, en meervoud.

Bij de mannelijke accusatief krijgen zowel het lidwoord als het bijvoeglijk naamwoord -en als uitgang:

geslacht lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
m. den alten Mann
m. einen alten Mann

Ten slotte eindigen bijvoeglijke naamwoorden in de datief op -en, ongeacht het geslacht.

Mensen updated 2021-03-15

N-verbuiging

De meeste zelfstandige naamwoorden hebben twee vormen, enkelvoud en meervoud:

  • der Hund, die Hunde
  • die Katze, die Katzen

In de datief meervoud krijgen alle zelfstandige naamwoorden die nog niet op een -n eindigen een extra -n:

  • die Hunde, mit den Hunden
  • maar: die Katzen, mit den Katzen
  • meervouden op "-s" zijn uitzonderingen: die Autos, mit den Autos

In deze skill leer je een speciale groep mannelijke woorden kennen. Deze woorden zullen altijd op de uitgang -en eindigen, behalve in de nominatief enkelvoud (de woordenboekvorm):

  • Der Junge ist nett. Ich kenne einen Jungen.

In deze groep zitten:

  • bijna alle mannelijke zelfstandige naamwoorden die op een -e eindigen (Junge, Name, Kollege, Türke, …)
  • mannelijke zelfstandige naamwoorden die eindigen op -ist, -ent, en enkele andere uitgangen
  • een kleine groep andere mannelijke zelfstandige naamwoorden.

Hieronder heb je als voorbeeld de tabel voor der Junge (de jongen):

Naamval Enkelvoud Meervoud
Nominatief der Junge die Jungen
Accusatief den Jungen die Jungen
Datief dem Jungen den Jungen

Zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord

Er is een laatste groep onregelmatige zelfstandige naamwoorden. Dit zijn eigenlijk bijvoeglijke naamwoorden die zelfstandige naamwoorden geworden zijn, maar wel nog verbogen worden als bijvoeglijke naamwoorden. Als je de uitgangen voor bijvoeglijke naamwoorden kent, zijn deze woorden makkelijk te gebruiken:

Bijvoeglijk naamwoord Zelfstandig naamwoord
ein deutscher Mann ein Deutscher
der deutsche Mann der Deutsche
eine deutsche Frau eine Deutsche
mit einer deutschen Frau mit einer Deutschen

In de skill Kleren vind je een overzicht van deze uitgangen.

In deze skill leer je de volgende zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden:

Bijvoeglijk naamwoord Zelfstandig naamwoord
deutsch (Duits) Deutscher (Duitser)
erwachsen (volwassen) Erwachsener (volwassene)
verwandt (verwant) Verwandter (familielid)
bekannt (bekend) Bekannter (bekende)

Universiteit updated 2021-03-15

Comparatief

De comparatief of de vergrotende trap wordt in het Nederlands gevormd door -er toe te voegen aan een bijvoeglijk naamwoord:

  • snel, sneller
  • groot, groter

Dit is in het Duits ook zo. Let er wel op dat je nog steeds de juiste uitgangen moet toevoegen:

  • schnell, schneller
  • ein schneller Mann, ein schnellerer Hund, eine schnellere Katze (een snelle man, een snellere hond, een snellere kat)

Korte bijvoeglijke naamwoorden krijgen meestal een umlaut en dus een klankverandering:

  • alt, älter
  • groß, größer

Markt updated 2021-03-15

Jeder

Het Duitse jeder betekent ieder/elk. Het heeft dezelfde uitgangen als "der, die, das":

naamval, geslacht de/het elk/ieder
nom. m. der jeder
nom/acc. onz. das jedes
nom./acc. vr. die jede
acc. m. den jeden
dat. m./onz. dem jedem
dat. vr. der jeder

Tijdsaanduidingen staan in het Duits in de accusatief:

  • Ich gehe jeden Tag schwimmen.

Huisdieren updated 2021-03-15

Fressen vs. essen

Het normale woord voor eten is essen, maar voor dieren wordt fressen gebruikt.

  • Die Frau isst. Die Katze frisst.

De vervoeging van beide werkwoorden is hetzelfde:

persoon essen fressen
ich esse fresse
du isst frisst
er/sie/es isst frisst
wir essen fressen
ihr esst fresst
sie/Sie essen fressen
volt. dlw. gegessen gefressen

Natuurlijk vs. grammaticaal geslacht

Voor dieren is er meestal een algemeen woord met een bepaald grammaticaal geslacht. "Katze" is vrouwelijk, maar dat betekent niet per se dat de "Katze" waat je het over hebt vrouwelijk is!

  • die: Katze, Spinne, Schildkröte, Schlange, Kuh, Maus
  • der: Hamster, Hund, Vogel
  • das: Insekt, Huhn, Tier, Schaf, Schwein, Pferd, Kaninchen

Er zijn ook speciek mannelijke/vrouwelijke woorden voor een paar van deze dieren, maar deze woorden zullen nu nog niet in de cursus voorkomen.

Danken

Net als helfen (helpen) maakt danken deel uit van een kleine groep werkwoorden die altijd met een datief staan:

  • Ich helfe dem Mann.
  • Ich danke dem Mann.

Je kan het zien als "hulp/dank geben aan" iemand, als dat helpt.

Angst haben

In het Duits gebruik je Angst haben als je wil zeggen dat iemand bang is:

  • Ich habe Angst vor Hunden. (Ik ben bang voor honden.)

Vaak is het nodig om het voorzetsel bij het werkwoord te leren. Vor staat met de datief na Angst haben.

Koken updated 2021-03-15

Töpfe und Pfannen

Een kookpan noemt men in het Duits der Topf (Plural: die Töpfe) of der Kochtopf (Plural: die Kochtöpfe).

Een koekenpan noemt men die Pfanne (Plural: die Pfannen) of die Bratpfanne (Plural: die Bratpfannen).

Een braadpan noemt men in het Duits der Bräter of der Schmortopf.

Dierentuin updated 2021-03-15

Berliner

Berliner en Kölner zijn onveranderlijke bijvoeglijke naamwoorden, ze behouden dus altijd dezelfde vorm. Onveranderlijke bijvoeglijke naamwoorden verwijzen meestal naar steden en eindigen op -er. Ze worden ook, in tegenstelling tot normale bijvoeglijke naamwoorden, met een hoofdletter geschreven.

Duits Nederlands
der Kölner Zoo de Keulse dierentuin
die Berliner Mauer de Berlijnse Muur
der Wiener Walzer de Weense wals
onveranderlijk normaal
Das ist der Kölner Zoo der schöne Zoo
Ich besuche den Kölner Zoo den schönen Zoo
Ich bin im Kölner Zoo im schönen Zoo

Wonen updated 2021-03-15

Hoog, hoger!

Hoch is een van de weinige onregelmatige adjectiven in het Duits:

  • Das Haus ist hoch.
  • Mein Haus ist höher.
  • Sein Haus ist am höchsten.

Hoch verandert ook wanneer het een uitgang krijgt:

  • Diese Stadt hat hohe Häuser.

Gezondheid updated 2021-03-15

Lebensmittel

Das Lebensmittel (wordt normaal enkel in het meervoud gebruikt) verwijst naar alles wat gegeten of gedronken kan worden.

Pommes frites

Het Frans voor "frieten" is "pommes frites". Het Duits heeft dit overgenomen, en daar wordt het uitgesproken op de Franse manier (dus de -es wordt niet uitgesproken). In het dagelijks leven zal je eerder een kortere vorm gebruiken; ofwel "Pommes" ofwel "Fritten", deze woorden worden op de Duitse manier uitgesproken

Scheibe

Die Scheibe (plakje, schijf) wordt meestalf gebruikt voor brood, kaas en worst, maar ook voor ruiten. Gebruik in andere gevallen das Stück (stuk):

  • eine Scheibe Käse (een plakje kaas)
  • ein Stück Fleisch (een stuk vlees)

Wederkerende werkwoorden

Veel Europese talen hebben de zogenaamde "reflexieve" of "wederkerende" werkwoorden. Denk aan "Hij wast zich, scheert zich en kamt zich". Dergelijke werkwoorden komen ook in het Duits voor:

  • Er wäscht sich, rasiert sich und kämmt sich.

Hieronder zie je de wederkerige voornaamwoorden:

Nom. Acc. Acc. reflexief
ich mich mich
du dich dich
er ihn sich
es es sich
sie sie sich
wir uns uns
ihr euch euch
sie/Sie sie/Sie sich

Ze zijn dus exact hetzelfde als de accusatief van de persoonlijke voornaamwoorden, maar er is een belangrijk verschil: Er, sie, es, sie & Sie gebruiken sich.

  • Er wäscht sich. (Hij wast zich.)
  • Er wäscht ihn. (He wast hem.)

De wederkerende werkwoorden die je in deze skill leert zijn:

  • sich kümmern um (zorgen voor)
  • sich freuen auf (uitkijken naar)

Denn

"Want" is in het Duits denn:

  • Ich möchte schlafen, denn ich bin müde. (Ik wil graag slapen, want ik ben moe.)

Het werkwoord volgt, net als in het Nederlands met "want", meteen na het onderwerp na denn.

Krankheit, Gesundheit

Een veelvoorkomende manier om woorden op te bouwen is -heit of -keit. Deze woorden zijn altijd vrouwelijk.

  • krank, die Krankheit (ziek, de ziekte)
  • gesund, die Gesundheit (gezond, de gezondheid)

Sport updated 2021-03-15

Erlauben

Erlauben betekent "toelaten". Daarop volgt er een datief:

  • Ich erlaube es ihm. (Letterlijk: ik laat het toe aan hem.)

Toekomst updated 2021-01-15

Toekomende tijd

Als je zegt dat je iets in de toekomst zal doen, gebruik je in het Nederlands de hulpwerkwoorden zullen en gaan. In het Duits wordt de toekomende tijd gevormd met het werkwoord werden, gevolgd door een infinitief. De infinitief staat altijd volledig achteraan in de zin.

  • Ich werde Reis essen.
  • Wirst du mir helfen?

Hier vind je nog eens de (onregelmatige) vervoeging van het werkwoord werden:

WERDEN
ich werde ik zal
du wirst jij zal
er wird hij zal
wir werden wij zullen
ihr werdet jullie zullen
sie werden zij zullen

Weil

Het Duits voor "omdat" is weil. In de bijzin na weil moet het werkwoord helemaal achteraan staan. (Zoals in het Nederlands, en niet zoals in het Engels of in het Frans.)

  • Ich kann nicht kommen, weil ich krank bin. (omdat ik ziek ben)

Vergelijk de woordvolgorde met de zin hieronder:

  • Ich kann nicht kommen, denn ich bin krank. (want ik ben ziek)

Weekend updated 2021-03-19

Tag Der Deutschen Einheit

De Dag van de Duitse eenheid is de nationale feestdag van Duitsland, en wordt op 3 oktober gevierd. Op deze dag wordt de Duitse hereniging gevierd, West- en Oost-Duitsland werden dan na 40 jaar gescheiden te zijn terug één land.

Stad updated 2021-01-15

Außerhalb

Het voorzetsel außerhalb (buiten) staat altijd met de genitief.

  • außerhalb der Stadt
  • außerhalb des Hauses

Gegenüber

Het voorzetsel gegenüber staat altijd met de datief en betekent "tegenover". Speciaal aan dit woord is dat je het niet enkel voor, maar ook na een woord kan plaatsen. De betekenis blijft hetzelfde.

  • Die Bank liegt gegenüber dem Bahnhof.
  • Die Bank liegt dem Bahnhof gegenüber.

Rivieren

Rivieren zijn in het Duits mannelijk of vrouwelijk.

Bijna alle Duitse rivieren zijn vrouwelijk, zoals die Donau, die Elbe, en die Mosel (Moezel).

Uitzonderingen zijn bijvoorbeeld der Rhein (Rijn) en der Main.

De meesten niet-Europese rivieren zijn mannelijk, zoals der Nil (Nijl), der Amazonas (Amazone) en der Mississippi.

Badkamer updated 2021-01-15

Ich putze mir die Zähne.

Verkeer updated 2021-01-15

Hin & her

Job updated 2021-01-15

Wenn

Wenn betekent als (indien) in het Duits. Verwar dit woord dus niet met wann (wanneer/op welk moment)!

Koken 2 updated 2021-01-15

Braten of backen?

Braten doe je in een Bratpfanne (koekenpan) en backen doe je in een Backofen (oven). In het Duits zou je normaliter niet backen gebruiken als je iets in een koekenpan bakt. Einen Pfannkuchen backen is een uitzondering.

Dokter updated 2021-01-15

Voorschrijven vs. voorgeschreven

Let op! "verschrEIben" betekent "voorschrijven" en "verschrIEben" betekent "voorgeschreven".

Wereldreis updated 2021-01-15

Landen met lidwoorden

We hebben al enkele namen van landen geleerd, die in het Duits altijd met een lidwoord staan.

Geslacht Duits Nederlands
vr. die Türkei Turkije
vr. die Schweiz Zwitserland
mv. die Niederlande Nederland
mv. die USA/die Vereinigten Staaten de VS

Aan dit lijstje voegen we in deze les nog twee landen toe.

Geslacht Duits Nederlands
m. der Irak Irak
vr. die Mongolei Mongolië

Eilanden

Voor landen die eilanden zijn, zoals IJsland (Island), Malta (Malta) of Cyprus (Zypern), kan je zowel het voorzetsel auf als in gebruiken. Er is een klein verschil in betekenis.

Duits Nederlands
Wir wohnen in Island. We wonen in IJsland. (de staat)
Wir wohnen auf Island. We wonen op IJsland. (het eiland)

Online updated 2021-01-15

Entweder... oder...

Met de constructie entweder... oder... geef je een keuze uit twee mogelijkheden aan. (= of... of...) Na entweder kan je kiezen of je een normale woordvolgorde gebruikt (1), of daarna eerst het werkwoord plaatst en dan het onderwerp (2).

Duits Nederlands
(1) Entweder du kommst, oder du kommst nicht. Of je komt, of je komt niet.
(2) Entweder fahre ich mit dem Bus, oder ich gehe zu Fuß. Ofwel ga ik met de bus, of ik ga te voet.

Weder... noch...

De negatieve tegenhanger hiervan is weder... noch... (= noch... noch...).

Duits Nederlands
Ich kann weder Französisch noch Chinesisch. Ik kan noch Frans noch Chinees.
Wir sind weder schön noch intelligent. We zijn noch mooi, noch intelligent.
Weder will ich schlafen noch bin ich müde. Noch wil ik slapen, noch ben ik moe.

46 skills with tips and notes

 
14.874